Author Archive

Arbeidsmarktrelevantie…

Written by Erwin van Rooijen. Posted in Blogs

Deze week verschenen de nieuwe arbeidsmarktprognoses van het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (ROA) van de Universiteit van Maastricht. De kranten stonden er weer bol van: lerarentekorten, tekorten in de techniek, tekorten in de ICT en nog veel meer voorspellingen. Het is gedegen onderzoek, uitgevoerd door zeer bekwame onderzoekers en het is relevante informatie. Ik maak veel gebruik van de ROA-cijfers in het kader van doelmatigheidsonderzoeken die ik uitvoer voor hogescholen. Om nieuwe opleidingen door het ministerie bekostigd te krijgen moeten hogescholen de zogenaamde ‘macro-doelmatigheidstoets’ doorstaan. Door middel van onderzoek moet worden onderbouwd dat de nieuwe opleiding doelmatig is, een toegevoegde waarde heeft, kan rekenen op voldoende studenten en arbeidsmarktrelevantie heeft. Dat vind ik ook terecht, tenminste als het gaat om beroepsonderwijs. Het gaat immers om publiek geld. Dat moet verantwoord worden besteed. Ben ik het mee eens, op macroniveau.

Maar wanneer ik in een krantenkop lees “Scholieren richten zich te veel op wat ze leuk vinden”, aldus de onderzoeker namens het ROA, dan gaan bij mij alle alarmbellen af en denk ik: daar gaan we weer. Ik vind dat jongeren zich juíst moeten laten leiden door wat ze leuk vinden. Dat is hún arbeidsmarktrelevantie. Mijn oud-collega en gerenommeerd onderwijssocioloog Frans Meijers roept het al meer dan dertig jaar, ook gebaseerd op degelijk empirisch onderzoek (waaraan ik heb mogen meewerken): jongeren kiezen niet op basis van informatie, maar kiezen uiteindelijk op basis van ervaring. Leuk al die studie- en beroepskeuzetestjes en al die beschouwingen over arbeidsmarktrelevantie, maar (verreweg de meeste) jongeren laten zich er niet door leiden. En dat is maar goed ook.

Wanneer mensen zeggen ‘ik sta in de file’ bedoelen ze eigenlijk ‘ik sta hier mede een file te veroorzaken’, maar zo ervaren ze het niet. Ze ervaren de file als een gegeven waardoor zij worden gedupeerd. Veel mensen kijken ook zo aan tegen ‘de overheid’: een abstract (noodzakelijk) kwaad. Mijn (politieke) opvatting is dat wij juist met z’n allen de overheid zijn.

Zo werkt het ook vaak met de term ‘arbeidsmarktrelevantie’. Alsof het een onvermijdelijk gegeven (in de toekomst) is waaraan wij (en zeker studerende jongeren) zich maar moeten aanpassen. Dan maar ‘iets minder leuk’, maar wel meer kans op werk.

Je hoort ook wel eens spreken over opleidingen die ‘opleiden tot werkloosheid’. Dat vind ik beledigend voor de studenten en de docenten, die het lef hebben om zich uitsluitend door intrinsieke motivatie te laten leiden. Zij zijn degenen die de samenleving uiteindelijk écht verder brengen, niet de ‘volgers’ die zich laten leiden door cijfers.

Natuurlijk begrijp ik hoe de economische conjunctuur werkt, maar ik zou het dominante arbeidsmarktkansen-paradigma willen omdraaien: de jongeren van nu, die kiezen wat ze leuk vinden, creëren zelf hun arbeidsmarktrelevantie van morgen. Zij moeten de toekomstige samenleving maken en vormgeven, niet hun keuze afstemmen op rekenmodellen. Ik kan het weten, want ik heb destijds gekozen voor een zeer arbeidsmarktirrelevante opleiding (in termen van ROA-prognoses) en ben nog geen dag werkloos geweest.

Dus mijn advies aan alle jongeren in Nederland: kies wat je leuk vindt, volg je hart, volg je passie.

Met deze kerstgedachte wens ik u allen een mooi en gezond 2018.

Erwin van Rooijen

 

Tussen ganzenveer en toetsenbord…

Written by Erwin van Rooijen. Posted in Blogs

Het wordt niks met de Steve Jobsscholen: “te rigide, te duur, te commercieel”, zo kopte de Volkskrant onlangs. Nee, het wordt niks en dat is maar goed ook. Het was ook voorspelbaar. Niet omdat het ‘concept’ ontsproten was aan het brein van een ietwat ijdeltuitige, zichzelf overschattende opiniepeiler, die zich in deze missie baseerde op een netto steekproef van N=1 (zijn dochter). Ook niet omdat het idee helemaal compleet onzinnig is. Natuurlijk moet ICT pedagogisch en didactisch worden verankerd in het curriculum, ook in het basisonderwijs, ook en juist bij jonge kinderen. De tijden veranderen, de wereld digitaliseert en het onderwijs moet meebewegen. Helemaal mee eens.

Nee, het wordt niks met de Steve Jobsscholen om de door de Volkskrant genoemde redenen en omdat het ‘concept’ onderwijskundig gewoon niet deugt. Het is elitair en het gaat gewoon veel te ver. Niet in de zin dat het zijn tijd te ver vooruit is, maar omdat het middel tot doel is verheven en die pendule slaat altijd weer de andere kant op, zo leert de geschiedenis ons keer op keer. Het is de dialectiek van de geschiedenis, die Marx overnam van Hegel: these-antithese-synthese. Dat zien we hier ook gebeuren. Kinderen leren niet van een tablet, kinderen leren van een docent.

De docenten in het basisonderwijs hebben aangekondigd binnenkort maar liefst een heel uur te gaan staken. Zij doen dat uit onvrede met hun veel te lage salaris en ze hebben mijn steun. De dieper liggende reden is natuurlijk de status van het vak van onderwijzer. Het is goed om daar keer op keer de aandacht op te vestigen. Die status staat onder druk en moet omhoog. Goed onderwijs begint bij goede docenten. Dát is wat ieder onderzoek (‘evidence based’) steeds weer laat zien.

Nee, dit is geen reactionair, nostalgisch praatje, waarin ‘de geur van krijt’ hoger wordt geacht dan digitale leermiddelen. Er niks mis met (mits juist gedoseerd en gedoceerd) ‘embedded learning’. Docenten moeten hun leerlingen meenemen en begeleiden in de fysieke én digitale wereld van nu en morgen. Daartoe moeten ze ook goed geëquipeerd zijn en daarvoor moeten ze ook adequaat beloond worden.

De uitdaging waar docenten de komende jaren voor staan is moeilijker, maar ook spannender en uitdagender dan ooit: laveren ‘tussen ganzenveer en toetsenbord’, terwijl de leerling centraal blijft staan. Want het is een al lang bestaand ethisch principe in onderwijsland: met leerlingen experimenteer je niet.

Erwin van Rooijen

 

Werktijd…

Written by Erwin van Rooijen. Posted in Blogs

Minister Asscher vindt dat de overheid een beetje moet letten op het wel en wee van werknemers. Dat vind ik ook. Minister Asscher vindt als sociaal democraat ook dat de overheid best ver mag gaan in het maken van wet- en regelgeving om werknemers te beschermen tegen de grillen van het kapitalisme. Ben ik ook wel met hem eens. Laten we de ‘Verelendung’ en de marxistische wereldrevolutie van het proletariaat voor zijn. De tijden zijn al grillig genoeg anno 2017.

Waar het gaat om zijn visie op het reguleren van vraag en aanbod (van een toenemend aantal buitenlandse werknemers) op de arbeidsmarkt en de daarbij passende lonen begin ik een beetje te twijfelen. Oprecht en goed bedoeld, daar twijfel ik niet aan, maar een beetje protectionisme sluipt er natuurlijk toch wel in. Moet je als kwetsbare partij mee uitkijken zo vlak voor de verkiezingen.

Wanneer hij ervoor pleit dat de overheid richtlijnen moet gaan uitvaardigen om het werk-gerelateerde e-mailgedrag buiten de ‘reguliere werktijden’ aan banden te leggen, vind ik dat hij volkomen doorschiet in ouderwetse betutteling.

Natuurlijk heb ik als zelfstandig ondernemer makkelijk praten. Ik heb geen ‘nine to five baan’ en bij mij lopen ‘werk- en privétijd’ vaak dwars door elkaar heen. Dat wil ik ook. Zo sta ik in het leven. De invulling van hoe ik mijn werk invul ís mijn manier van leven. Ik houd mij bezig met maatschappelijke vraagstukken en die houden zich nu eenmaal niet aan de prikklok. Mijn opdrachtgevers ook niet. Bovendien verkoop ik als adviseur – zoals een directeur van mij (toen ik nog wel ergens op de loonlijst stond) het ooit zo treffend formuleerde – vooral ‘nachtrust’. Mijn opdrachtgever kan rustig gaan slapen. Ik werk door totdat het goed is. Part of the job. En mijn eigen nachtrust, ook daar zorg ik zelf wel voor. Uiteraard begrijp ik heel goed en respecteer ik het ook dat velen wél hechten aan de grens tussen privé en werk. Daar heeft een ieder ook recht op. Ik begrijp ook heel goed dat dat afhankelijk is van het type werk dat je doet.

Maar als wij (‘de samenleving’, ‘de politiek’, ‘de belangenorganisaties’, ‘de media’, ‘het onderwijs’) – wat mij betreft terecht – voortdurend een beroep doen op onze eigen verantwoordelijkheid, de noodzaak tot flexibiliteit benadrukken, ‘employability’ hoog in het vaandel willen houden, de vanzelfsprekendheid van het ‘levenslange dienstverband’ zien verdwijnen, de mondigheid en waardigheid van álle werknemers als uitgangspunt nemen, dan is het natuurlijk idioot om van overheidswege werkgevers te verplichten het e-mailgedrag buiten ’werktijd’ te reguleren en werknemers het ‘recht’ op e-mailloze uren te geven, in de illusie dat dit ‘stress reducerend’ zal werken.

Zoals gezegd vind ik dat betuttelend, ouderwets en dus in tegenspraak met genoemde trends. Door als overheid op deze wijze werknemers ‘tegen zichzelf in bescherming te nemen’, onderschat je hun mondigheid en weerbaarheid. Dit is – om Marx dan toch nog één keer te citeren – een subtiele vorm van ‘repressieve tolerantie’. Laat werknemers zelf bepalen of ze wel of niet reageren op e-mails die na 17.00 uur ontvangen worden. Daar zijn ze echt groot genoeg voor. Bovendien: wie weet welke kansen je laat liggen als je bepaalde berichten ‘te laat’ leest?

Mocht u willen reageren op deze blog. Mail mij wanneer u wilt (evanrooijen@tienorganisatieadvies.nl). Binnen 24 uur heeft u antwoord. Beloofd.

Erwin van Rooijen

 

Leren om niet bang te zijn…

Written by Erwin van Rooijen. Posted in Blogs

Ik ga dit jaar met een onrustig gevoel op vakantie. De wereld staat in brand. De ene aanslag volgt op de andere. Het volk wil een dictator, het volk krijgt een dictator (zegt de dictator). Het zijn angstige tijden en niemand weet het antwoord, niemand weet wat we moeten doen, niemand weet wat ons te wachten staat. We zijn als verschrikte konijnen, kijkend in de koplampen van onvoorspelbaar, onvoorstelbaar en ongericht geweld. Maar toch moeten we verder. We gaan ook verder. Maar hoe?

De ‘sleutel’ ligt altijd bij het onderwijs, zo wordt vaak gezegd en dat is ook zo. Het onderwijs heeft de afgelopen jaren grote maatschappelijke thema’s dan ook voortvarend ‘opgepakt’.

Als adviseur in ‘onderwijsland’ kom ik op veel verschillende scholen en ik zie dat er in vele klassen (in het basisonderwijs, van VMBO tot en met Gymnasium en ook in het MBO, HBO en WO) uitgebreid gediscussieerd wordt over belangrijke issues, over racisme en discriminatie, over intolerantie, over radicalisme, over de multiculturele samenleving, over de vluchtelingenproblematiek en over nog veel meer. Dat is goed en daarmee moeten we ook doorgaan. Daarmee houden we onze democratie vitaal.

We weten ook steeds beter welke jongeren we wat moeten leren en wat niet. Leerlingen die graag ‘met hun handen werken’ moeten we niet te veel lastigvallen met theoretische, algemeen vormende vakken. Excellente en hoogbegaafde leerlingen moeten van onze excellente en hoogbegaafde staatssecretaris nog steeds gestimuleerd worden tot excellente prestaties en niet worden afgeremd door minder getalenteerde leeftijdsgenoten. Nog steeds moeten meer meisjes voor techniek kiezen.

En álle leerlingen moeten iets mee krijgen van onze normen en waarden, van onze vaderlandse geschiedenis (de canon!) en natuurlijk van ‘burgerschap’. De ietwat hysterische hype rond ‘ondernemerschap’ lijkt enigszins op z’n retour, maar ook daar komen we nooit meer van af.

Maar welk antwoord gaat het onderwijs formuleren op de nieuwe werkelijkheid waarin we terecht gekomen zijn? Hoe gaan we onze kinderen leren om te leven in een wereld met een ‘structureel, substantieel dreigingsniveau’. Hoe gaan we onze kinderen leren om niet te bang te zijn, terwijl er misschien meer redenen dan ooit zijn om wel bang te zijn? Hoe gaan we uit deze paradox komen? Komt er straks een generatie aan ‘die niet beter weet’ dan dat het op elke hoek van de straat, in elk winkelcentrum, op elk station of vliegveld mis kan gaan en welk cynisme, welk wereldbeeld gaat dat met zich mee brengen? Wat voor samenleving wordt dat?

We kunnen alleen verder als we niet bang zijn en dat moeten we gaan ‘leren’. Dat moeten we elkaar leren, dat moeten we onze kinderen leren. Dit lijkt mij de grote uitdaging voor het onderwijs de komende jaren: leren om niet te bang zijn.

Ik weet niet hoe, ik heb het antwoord niet, maar ik ga er in de vakantie wel over nadenken.

Erwin van Rooijen

 

Kansrijk onderwijs…

Written by Erwin van Rooijen. Posted in Blogs

Kinderen van hoger opgeleide ouders krijgen meer kansen in het onderwijs en stromen door naar hogere opleidingsniveaus dan kinderen van lager opgeleide ouders, zo rapporteert de Inspectie van het Onderwijs in ‘De Staat van het Onderwijs’. Nadat het belang van de citotoets is teruggeschroefd en ‘het schooladvies’ zwaarder is gaan wegen, blijken vooral kinderen van hoger opgeleide ouders hiervan te profiteren. Assertief en verbaal begaafd als zij (zouden) zijn ‘praten zij het schooladvies omhoog’. Het is de bekende pendelbeweging: draagt het onderwijs bij aan emancipatie of juist aan de reproductie van sociale ongelijkheid? Waar kunnen we bijsturen?

De media doen met groeiende verbazing en verontwaardiging verslag van deze bevinding. Alsof er een nieuwe natuurwet aan het licht is gekomen, terwijl dit fenomeen al bekend is sinds de grote socioloog Bourdieu in de jaren zeventig de begrippen sociaal en cultureel kapitaal introduceerde. Ook de onlangs overleden onderwijssocioloog Jaap Dronkers heeft hierover intelligente dingen gezegd. Kortom: de verbazing verbaast mij. Dit weten we toch al lang?

Maar wat mij echt stoort in de maatschappelijke discussie is de dominantie van het rendementsdenken – ja, daar is ie weer! – in termen van verticaal geduide ‘niveauverschillen’: havo is ‘hoger’ dan vmbo, vwo is ‘hoger’ dan havo etc. Ik heb het er op deze plek eerder over gehad: we denken uiteindelijk toch weer altijd in ‘verticale lijnen’. Dat paradigma is hardnekkig en schadelijk.

Het is op zijn zachtst gezegd een ietwat hypocriete ambivalentie, dat er enerzijds (ook door het Ministerie van OCW) voortdurend en terecht wordt geroepen dat het vmbo en het mbo moeten emanciperen, impulsen moeten krijgen, trots moeten zijn, want Nederland heeft behoefte aan ‘vakmensen’, terwijl anderzijds in de ‘ongelijke kansen discussie’ toch voortdurend wordt gesuggereerd (ook door OCW) dat het ‘jammer’ en ‘oneerlijk’ is dat kinderen ‘blijven steken’ op mbo-niveau.

Dat is slecht voor het imago van het vmbo en het mbo. Ook is het stigmatiserend en demotiverend voor de vele en vele kinderen en studenten, die gewoon heel goed bezig zijn op het vmbo en mbo en straks een nuttige bijdrage gaan leveren aan onze arbeidsmarkt en samenleving. Bovendien kan het een knauw geven aan de identiteit en het zelfbeeld van leerlingen: “Tja, wie voor een dubbeltje geboren wordt …”

Kansrijk onderwijs is onderwijs dat niet voortdurend gedicteerd en opgejaagd wordt door de ‘drang naar boven’, naar ‘het hoogste niveau’. Daarmee zeg ik niet dat je niet voortdurend moet proberen om het beste uit jezelf te halen, maar dat loopt niet altijd langs de verticale lijn ‘omhoog’. En natuurlijk moeten we iedere generatie blijven aansporen om de talenten optimaal te ontplooien. Het is een paradox, maar daartoe draagt de huidige discussie over ongelijke kansen niet bij.

Erwin van Rooijen

 

Het product onderwijs in 2016…

Written by Erwin van Rooijen. Posted in Blogs

Ze zijn er elk jaar weer, de mijmeringen onder de kerstboom. Elk jaar verbaas ik mij er weer over, dat we het onszelf en elkaar steeds weer aandoen. Alle drukte en stress stapelen zich op in december en we slepen ons vermoeid en vaak ietwat gammel en snotterig naar de feestdagen. Waarom?

Waarom plannen we ons werk niet gewoon beter? Wat is er altijd zo ‘magisch’ aan het einde van het jaar? Op 1 januari loopt de tijd gewoon, in hetzelfde, meedogenloos lineaire ritme door. De tijd trekt zich niks aan van kalenders, agenda’s, begrotingen en jaarplannen. Wij hebben van de tijd een ‘afspraak’ gemaakt, een afspraak die ons soms behoorlijk dwars zit. Tijd is relatief, zo weten we sinds Einstein. Maar goed, dat zijn dus mijmeringen. Ik heb mezelf ook gewoon een deadline gesteld: deze blog moet op tijd af, voor de Kerst.

Over tijd en het streven naar efficiëntie gesproken…
Er komen experimenten in het hoger onderwijs waarbij studenten collegegeld gaan betalen per vak. Het idee daarachter is dat dat goed is voor hun brede ontwikkeling, dat het bijdraagt aan hun flexibiliteit en mogelijkheden tot zelfontplooiing. Het past ook in het paradigma van een ‘leven lang leren’ en in de trend van ‘vraaggestuurde bekostiging’. Er komen pilots en experimenten met ‘vouchers’, waarmee studenten op de ‘onderwijsmarkt’ hun ‘modules op maat’ bij elkaar kunnen ‘kopen’, bij publieke en/of private aanbieders, ‘level playing field’, u weet wel.

Wat vind ik daar nou van…?
Het mooie van mijmeringen is dat ze niet tot een conclusie hoeven te komen, dat ze niet hoeven te leiden tot een heldere en stevige opinie. Dus wat vind ik er nou van?

Natuurlijk ben ik sterk voor flexibiliteit en ook voor een ‘leven lang leren’. Alles is leren, binnen de school en buiten de school. Dat moet ook zeker gestimuleerd worden. Daarover heb ik op deze plek dit jaar eerder geschreven en gemijmerd, net als over ‘rendementsdenken’.

En daar begint mijn twijfel…
Is het nou wenselijk dat onderwijs steeds meer een ‘product’ wordt, dat je als calculerende burger kunt ‘kopen’. Is dat geen merkwaardige paradox wanneer het gaat om de toch idealistische doelstelling die eronder ligt: zelfontplooiing en een leven lang leren? Kan dat alleen maar door een voortdurende ‘kosten-baten analyse’ en een sturingsmodel dat daarop gebaseerd is? Hoe ver willen we gaan met de ‘individualisering’ van de ‘onderwijsconsument’? Schieten we daarin niet te ver door? Werkt dit nou een (verdere) tweedeling in de hand of leidt dit juist tot gelijke kansen en emancipatie? Ik ga er onder de kerstboom nog eens goed over nadenken en ga hierover in 2016 weer graag met u allen in gesprek.

Mooie feestdagen en een gezond 2016 toegewenst!

Erwin van Rooijen

 

2032…

Written by Erwin van Rooijen. Posted in Blogs

Toch nog even over ‘2032’, #Onderwijs 2032 om precies te zijn. Op initiatief van staatssecretaris Sander Dekker startte het Platform Onderwijs 2032 op 1 februari 2015 een maatschappelijke dialoog over het onderwijs van de toekomst. Het jaar 2032 is als stip op de horizon gekozen, omdat de meeste kinderen die nu geboren worden ongeveer in dat jaar de arbeidsmarkt zullen betreden.

Heel Nederland mocht meepraten, bloggen, twitteren en facebooken. Op 1 oktober jongstleden presenteerde Paul Schnabel, voorzitter van de commissie, de hoofdlijnen van het advies. Bij Nieuwsuur kwam hij het een en ander nader toelichten.

Ik liep al een tijdje rond met het idee om een leuk, kritisch, mild ironisch stukje over Onderwijs 2032 te schrijven. Niet omdat ik het allemaal onzin vind, niet om het debat te ridiculiseren en zeker niet omdat ik de commissie en zijn voorzitter niet hoog zou achten, maar wel om de redenen die Aleid Truijens vorige week zaterdag in haar column in de Volkskrant zo treffend beschreef. Zij was mij dus voor. Ere wie ere toekomt.

Kern van haar betoog was dat er toch wel heel veel ronkende en obligate retoriek in het hele verhaal zit: de nieuwsgierigheid en creativiteit van leerlingen moeten geprikkeld worden, leerlingen moeten de kansen van de digitale wereld leren benutten, het onderwijs moet maatwerk bieden en relevant zijn, taal- en rekenvaardigheid zijn van groot belang enzovoort. Tja, daar kunnen we het niet mee oneens zijn, net zoals we allemaal voor de wereldvrede zijn. Dat vraagt dus inderdaad om enig ironisch tegengas, maar dat is dus al volop en met goede argumenten gegeven. En ja, je moet die oneliners in hun context lezen, ik weet het.

Ik wil hier nog een ander punt maken. Waarom trappen wij als samenleving toch steeds weer in de valkuil van het idee dat wij meer dan 10 jaar vooruit kunnen kijken? Waarom denken wij steeds dat wij de ongewisse toekomst een beetje naar voren kunnen halen en daarmee een beetje minder onvoorspelbaar kunnen maken. De geschiedenis leert ons keer op keer, dat dit een illusie is. Zeker alle stelsel- en paradigmawijzigingen die het onderwijsveld de afgelopen jaren als een pendule heeft zien langskomen en heeft mogen incasseren, leren dat dit een illusie is. Veel van wat er nu anno 2015 speelt, was in 2000 ondenkbaar en onvoorspelbaar. De samenleving is maar een klein beetje ‘maakbaar’ en dat is maar goed ook.

Vind ik dan dat het onderwijs zich niet op de toekomst moet richten? Natuurlijk vind ik dat wel. Het onderwijs leidt op voor de wereld en de arbeidsmarkt van morgen. Focus op de toekomst, uiteraard.

Geloof ik dan niet in de spreekwoordelijke ‘stip op de horizon’? Ook daarin geloof ik wel degelijk en bij verschillende ‘hei-sessies’ en andere bijeenkomsten pas ik deze methode zelf ook graag en met enige regelmaat toe. Aan creatieve werkvormen geen gebrek. Altijd goed als een organisatie of een team eens met elkaar de tijd neemt om zich af te vragen: ‘hoe willen wij over vijf jaar zijn en gekend worden?’ Onlangs heb ik zo’n sessie met mijn eigen collega’s van Tien organisatieadvies gedaan. Dat was leuk, gezellig, goed en inspirerend. Maar dat leidt niet meteen tot een actieagenda en dat hoeft ook niet. Een goed gevoel is ook een belangrijke opbrengst.

Ik ben een voorstander van groot en breed denken. Het kan mij niet visionair en idealistisch genoeg zijn, zeker niet als we het gesprek in het café voeren.

Maar wanneer we serieus de ambitie hebben om via ‘stippen op de horizon’ tot concrete acties, projecten, programma’s, stelselwijzigingen en nog veel meer te komen, zou ik willen bepleiten om ‘het klein te houden’.

Ik heb op deze plek al vaker geschreven over de vele mooie opdrachten die ik mag uitvoeren, waarbij ‘onderwijs en bedrijfsleven’ met elkaar in verbinding worden gebracht. Daar zitten vele voorbeelden tussen van mooie toekomstbespiegelingen en concrete samenwerking op korte termijn en op kleine schaal. Ik vind het mooi en dankbaar werk om daar als adviseur een bijdrage aan te kunnen leveren: maatwerk en relevantie.

Daarbij word ik gedreven door maatschappelijke betrokkenheid, ambitie en nieuwsgierigheid: ik ben altijd benieuwd naar de dag van morgen, mijn agenda zit de komende weken best vol. Maar hoe mijn agenda er in 2032 uitziet? Ik heb geen idee, gelukkig maar.

Erwin van Rooijen

 

Recreatief leren…

Written by Erwin van Rooijen. Posted in Blogs

Ik vind het altijd mooi en ietwat theatraal als de Tweede Kamer wordt teruggeroepen van het ‘zomerreces’ om te debatteren over urgente kwesties. Onlangs gebeurde dat weer in het kader van de discussie over Griekenland. Ik stel me dan voor dat Alexander Pechtold of Sybrand Buma (of wie u maar wilt) in korte broek zittend op een mediterraan terrasje zijn vrouw veelbetekenend en doodmoe aankijkt en draaiend met de ogen machteloos in de lucht wappert met zijn mobiele telefoon om de onheilstijding te onderstrepen: terug naar huis, einde vakantie.

Ik ga over een paar dagen op vakantie en ik weet zeker dat ik niet word teruggeroepen. Ik ga ook lekker heel ver weg, dus in het geval van urgente zaken ben ik toch niet op tijd terug. Urgente zaken vragen immers om een snelle oplossing en zijn dus per definitie kortdurend. Nee, mij zie je de komende vier weken niet terug. Bovendien neem ik mijn werk altijd mee op vakantie. Daarmee bedoel ik niet mijn laptop (neem ik echt niet mee), te lezen stukken en/of vakliteratuur (idem), ik ga ook niet ‘zakelijk’ zitten bellen en mijn e-mail staat gewoon lekker op ‘out of office’.

Ik bedoel meer dat ik het afgelopen half jaar ‘werk’ en ‘privé’ steeds minder als aparte werelden ben gaan ervaren. Toen ik nadacht over het thema van deze blog fluisterde mijn muze mij in dat het allemaal gaat over ‘leren’.

Mijn ‘werk’ (zeg maar waarvoor ik betaald word) speelt zich grotendeels af in de wereld van het onderwijs. Daarbij gaat het dus over ‘leren’. Veel discussies gaan over de aard en de conceptuele duiding van leren: ‘reproductief leren’ (ongewenst), ‘competentiegericht leren’ (wat mij betreft tautologisch), ‘opbrengstgericht leren’ (ook tautologisch), ‘passend onderwijs’ (kan je niet op tegen zijn’), ‘praktijkgericht onderwijs’ (prima), ‘fundamenteel wetenschappelijk onderzoek’ (ook prima), ‘leven lang leren’ (zeer mee eens en zeer nodig).

In reactie op mijn vorige blog (‘leren in de breedte’) schreef Ype Akkerman een sympathieke en inspirerende reactie (zie: www.tienorganisatieadvies.nl), waarin hij pleit voor een ‘inclusieve benadering’ van onderwijs en dus ook van ‘leren’. Kort samengevat: leren doe je overal en daarmee ligt de ‘pedagogische opdracht’ zowel binnen als buiten de muren van de school. Verschillende partijen zouden als een ‘pedagogische joint venture’ moeten opereren: “It takes a village to raise a child.” Zo is het en met dit idee ga ik graag op vakantie.

‘Verwondering is de moeder van alle kennis’, zo leerde Aristoteles ons al. Het vermogen om je te laten verwonderen vereist een ontvankelijkheid daartoe: ‘open staan’ voor verwondering. Dat is een ‘competentie’ (daar is ie weer…), die het onderscheid ‘werk-privé’ ontstijgt. De ‘verwondering’ die ik vaak genoeg beleef tijdens mijn (betaalde) ‘werk’ neem ik mee naar huis en maakt mij een rijker mens. De lessen die ik leer van de verwondering in mijn ‘privéleven’, van de boeken die ik lees, de films die ik zie, de muziek waarnaar ik luister, maken mij een betere adviseur.

Ga ik dan helemaal niet ontspannen tijdens mijn vakantie? Natuurlijk wel. Maar wel vanuit het bovenstaande besef. Daarom kijk ik altijd uit naar mijn vakantie en kijk ik er nooit tegenop om weer te beginnen met ‘mijn werk’. Laten we de vakantie daarom beschouwen als een periode van ‘recreatief leren’. Dat kan prima met een biertje op een zonovergoten terras, ‘learning all the time’. Mijn telefoon staat dan lekker uit. Ik word toch niet teruggeroepen.

Erwin van Rooijen

 

Leren in de breedte…

Written by Erwin van Rooijen. Posted in Blogs

Het is toch wel exemplarisch voor de bijzondere en eigenlijk onmogelijke samenstelling van het huidige kabinet. Een ietwat geëxalteerde staatssecretaris van onderwijs, die voortdurend loopt te roepen dat we in talent en excellentie moeten investeren, dat we op kop moeten lopen in de ‘kenniseconomie’ en dat we met z’n allen een visie op het onderwijs in 2032 bij elkaar moeten twitteren. Daartegenover zijn eigen minister (van sociaal democratische huize), die ‘de arbeider’ nu toch even maant om pas op de plaats te maken. Zij ‘stoort zich eraan’ dat ‘iedereen maar hogerop wil’.

Ik chargeer natuurlijk, zoals deze uitspraken de afgelopen tijd volop gechargeerd en geridiculiseerd zijn. Dat mag in een vrij land. Beide bewindslieden hebben hun uitspraken inmiddels ook uitgebreid genuanceerd en uitgelegd zat ze door ‘de media’ uit ‘de context’ gehaald zijn. Ook dat mag (maar ze hebben het wel gezegd).

Door journalisten en commentatoren is er ook veel verstandigs over gezegd, bijvoorbeeld door Aleid Truijens in de Volkskrant van zaterdag 13 juni jongstleden. Zij stelt dat de minister natuurlijk wel een punt heeft, maar dat zij er verstandiger aan had gedaan om de kwaliteit van het onderwijs en de onderwijsinstellingen als aanvliegroute voor haar betoog te nemen en niet de ambitie van de individuele jongere. Eens.

Wat ik typerend vind voor deze discussie is dat we voortdurend en uitsluitend blijven denken in ‘verticale lijnen’: hogerop, sociale stijging, stapelen, klimmen, niveau, beroepskolom, opscholen etc. Ik mis te veel de ‘horizontale dimensie’: verbreden en verrijken. Dat is waar het bij de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt steeds meer om gaat. Dat merk ik in verschillende opdrachten die ik momenteel uitvoer, met name rond de steeds populairder wordende ‘associate degree opleidingen’. Een associate degree opleiding is een eigenstandige, tweejarige opleiding, die opleidt tot een erkend diploma in het hbo.

In de vele interviews die ik uitvoer in het ‘beroepenveld’ in verschillende maatschappelijke sectoren merk ik dat steeds meer werkgevers het niet meer zo belangrijk vinden of er nou ‘mbo’ of ‘hbo’ op ‘het papiertje’ staat. Werkgevers denken steeds meer in competenties en vaardigheden, steeds meer in (zo u wilt) ‘21st century skills’. Associate degree opleidingen lijken in toenemende mate aan deze behoeften tegemoet te komen, zowel voor nieuw personeel als voor de bijscholing (ik praat bewust niet over opscholing) van zittend personeel. Overigens moeten we ook hier uitkijken voor de valkuil van het ‘niveau-denken’: associate degree opleidingen worden aangeduid met niveau 5, tussen mbo 4 en hbo bachelor in. Maar werkgevers denken dus steeds minder in die termen. Werkgevers denken ‘breder.’

A.F.Th. van der Heijden, wat mij betreft nog steeds de beste Nederlandse romanschrijver van dit moment, introduceerde ooit het begrip ‘leven in de breedte’, een metafoor die mij in mijn filosofische momenten altijd op de been heeft gehouden: “als je het leven niet kunt verlengen, dan moet je het verbreden.” Dat kan alleen wanneer je in meerdere dimensies tegelijk denkt én daar ook naar handelt (dat laatste voert hier te ver, lees zijn boeken).

Laten we in analogie hiermee ons maatschappelijke debat over het onderwijs verrijken met de term ‘leren in de breedte’. Laten we daarin voorop lopen.

Erwin van Rooijen

 

Rendementsdenken…

Written by Erwin van Rooijen. Posted in Blogs

Ik vind het wel leuk, die maatschappelijke discussie over het doorgeslagen rendementsdenken. De studentenopstand, de bezetting van het Maagdenhuis, oude tijden herleven. Zelf studeerde ik in een heel braaf decennium. In 1969 was ik te jong, nu ben ik te oud om een revolutionair student te zijn. Maar wel solidair natuurlijk. Want in grote lijnen ben ik het ook wel eens met de argumenten. Natuurlijk zie ik ook de verschillen met de bezetting in 1969 en de ideologische context van toen. Maar het is onmiskenbaar dat ‘de politiek’ en ‘de ‘managers in Onderwijsland’ (de goeden niet te na gesproken) ons hoger onderwijs de afgelopen jaren wel heel erg ge-neoliberaliseerd hebben met targets, prestatie-indicatoren, sturingsmodellen en onbegrijpelijke, vaak dubieuze bekostigingsstructuren. De hoogste tijd voor tegengas. Terecht wat mij betreft. Ik vind ook dat er altijd plaats moet zijn voor ‘kleine’ en ‘obscure’ studies: Noors, Assyrisch Babylonisch, Theologie, Oosterse filosofie, Nieuw Grieks, Papyrologie, u noemt het maar. Maatschappelijke relevantie is een betrekkelijk en ideologisch bepaald begrip. Hoe meer het economische en culturele kapitaal met elkaar in balans zijn, hoe hoger het beschavingsgehalte van een samenleving (om de grote socioloog Bourdieu maar weer eens te parafraseren). Helemaal mee eens.

Toch ben ik in mijn werk als adviseur altijd bezig met het ‘vergroten van het rendement’ in het belang van mijn klanten. Zij willen (bij voorkeur meetbare) effecten zien van mijn ‘interventies’. Dat is vaak ook terecht (niet altijd). Staat dat dan niet op gespannen voet met bovenstaande, ideologisch getinte alinea? Ben ik dan wel geschikt voor dit werk? Ben ik geen opportunist?
Het antwoord is volmondig: nee, ik ben geen opportunist, ik ben niet ‘te kwader trouw’ (Sartre), ik ben bij uitstek geschikt voor het werk als professional adviseur. Dat durf ik met stelligheid te beweren, omdat ik iedere dag reflecteer op deze vragen en omdat ik ‘rendement’ altijd zie en begrijp op drie verschillende niveaus tegelijk.

Om dit te duiden gebruik ik (steeds vaker ook in opdrachten) graag de metafoor van de ‘ijsberg’. Wellicht kent u het beeld. Wat wij dagelijks zien is de top van de ijsberg. Hier gaat het om kennis en vaardigheden, om presteren, om rationele analyses, om strategie en om meetbaar effect. Een vluchtige en platte wereld, waar de vraag ‘wat doen we?’ centraal staat. Daaronder – we zijn inmiddels onder water – zit de laag van ‘waarden en opvattingen’. Hierbij gaat het om de vraag: ‘wat denken we?’ Daaronder – en meestal echt onzichtbaar – komen we terecht in de laag van ‘drijfveren en eigenschappen.’ ‘Wat willen we echt?’ is hier de dominante vraag.

Als adviseur (maar ook in niet mijn declarabele uren) probeer ik altijd alle drie de lagen van de ijsberg in het oog te houden en te bedienen. Ik weet dat mijn opdrachtgevers vaak onder druk staan, omdat er ‘geleverd moet worden’. Daarbij ondersteun ik graag. ‘Als consultant verkopen wij immers nachtrust’, zoals een directeur van mij het ooit zo mooi verwoordde.
Maar ik weet ook, dat mijn opdrachtgevers met hun eigen waarden en drijfveren werken in de setting waarin ze werken. Hoe verhouden deze zich tot de ‘maatschappelijke opdracht’ waarvoor hun organisatie ‘aan de lat staat’. Wat zijn hun idealen? Wat zijn hun ambities? Wat zijn hun zorgen?
Ook dat probeer ik altijd in beeld te krijgen en te begrijpen. Ook daarop probeer ik mijn adviezen af te stemmen, niet als psycholoog, maar als adviseur. De metafoor van de ijsberg gaat overigens ook op voor ‘organisaties’ als geheel.

Ook ik denk dus wel degelijk in ‘rendement’, maar dan wel in ‘rendement in drie lagen’. Alleen dan kan ik goed functioneren als adviseur, alleen dan heb ik echt toegevoegde waarde.

Daarom ben ik blij dat ik ooit een doorgaans niet zo maatschappelijk relevant geachte studie heb gedaan. Daar heb ik leren reflecteren. Daarvan pluk ik elke dag de vruchten. Alleen jammer dat ik nooit in opstand ben gekomen.

 

Erwin van Rooijen