Recht op spijbelen…

Written by Erwin van Rooijen. Posted in Blogs

Het Malieveld is weer leeg. De spandoeken zijn opgerold. De leerlingen zijn weer netjes naar school. Maar er is iets veranderd in Nederland, ten goede. De nieuwe generatie spreekt luid en duidelijk. Wat hebben zij een mooie impuls gegeven aan de maatschappelijke discussie over de toekomst van onze planeet. Niet zomaar een themaatje.

Leerlingen spijbelen voor een beter klimaat en de reacties zijn voorspelbaar.
Uiteraard is daar meteen het kleinburgerlijke cynisme: “dat is natuurlijk een mooie reden om een dagje lekker niet naar school te gaan”, “denk je nou echt dat het die leerlingen iets kan schelen, die denken toch alleen maar aan zichzelf, lekker een dagje vrij”.
Tja, die leerlingen zullen er ongetwijfeld tussen hebben gezeten. Dat heb je altijd. Maar wat dan nog? We zien toch duidelijk dat de overgrote meerderheid van alle leerlingen op het Malieveld daar gemotiveerd en met goede bedoelingen liep te protesteren. Dat stemt toch positief? De nieuwe generatie roept ons terecht toe: “we hebben geen planeet B”.

De geschiedenis laat zien, dat veel positieve vooruitgang (en ja, er was vaak ook een schaduwzijde) begon met de jonge generatie, die het gewoon niet meer pikt. “The times they are a changin’ “ is van alle tijden.

Laat ik over het cynisme van de Baudetiaanse en minder eloquente klimaatontkenners kort zijn. Zij voeren een achterhoedegevecht gebaseerd op ‘fake news’ (en dat weten ze zelf ook).
Ik zou willen zeggen: “If your time to you is worth savin, then you better start swimming or you sink like a stone, for the times they are a changin”.

Dat de minister in zijn rol netjes moet zeggen dat er niet gespijbeld mag worden, dat begrijp ik goed. Maar ik heb grote waardering voor de wijze waarop Slob dit communiceert en voor de oprechte betrokkenheid en empathie waarmee hij vervolgens met de leerlingen in gesprek is gegaan.

Als ik deze beweging van voor de goede zaak spijbelende scholieren vergelijk met de lege en ongerichte ‘protesten’ van ‘de gele hesjes’, die in Nederland met toenemende onnozelheid achter elkaar aan huppelen en elkaar met een niet al te ruim vocabulaire overtreffen in holle frasen, dan geef ik graag mijn vertrouwen aan de volgende generatie en dat stemt mij optimistisch.

Leerplicht en spijbelen verhouden zich natuurlijk lastig tot elkaar. Zoals gezegd: ik begrijp onze minister, maar voor de goede zaak zou ik er voor willen pleiten om leerlingen een ‘spijbel-strippenkaart’ te geven, waarmee ze vijf keer per jaar op het moment dat zij dat willen mogen ‘spijbelen’ in het belang van een maatschappelijk thema dat zij willen agenderen.

Een echte marxist zou mij nu terecht een vorm van ‘repressieve tolerantie’ verwijten, maar laten we het eerst gewoon eens proberen.

Erwin van Rooijen

Klassiek of niet?

Written by Peter de Leeuwerk. Posted in Blogs

Ben Tiggelaar. Al jarenlang schrijft hij elke zaterdag een column over management en leiderschap in NRC. Niet elke column is even verrassend – dat kan ook niet als je elke week iets nieuws moet melden, Youp van ’t Hek lukt dat al jaren niet meer – maar per saldo zijn ze interessant genoeg om ze nooit over te slaan. Het charmante van de stijl van Ben Tiggelaar is dat hij ‘goeroe tegen wil en dank’ is, en dus geen zelfbenoemde, zoals zoveel anderen. Hij toont zich vaak van zijn kwetsbare zijde, hij toont zijn twijfels, onzekerheden en hardnekkige eigenschappen en is voortdurend op zoek naar wat inzichten van anderen voor meerwaarde hebben, in plaats van de betweter uit te hangen en ze steeds te overtreffen met de eigen superieure inzichten. Mooie eigenschap, mooie stijl. En volgens mij ook de enige manier om elke organisatievraag steeds opnieuw onbevangen en met een positieve grondhouding tegemoet te treden, om op zoek te gaan naar wat er wèl beter kan en organisaties daarvoor concrete handvatten te bieden.

Afgelopen zaterdag kreeg zijn column de titel ‘Het einde van de klassieke consultant’ mee. Hij betoogt dat de advieswereld bijna ongemerkt, maar onomkeerbaar op zijn kop wordt gezet. Daar waar voorheen veel organisatievragen door externen werden beantwoord, pakken veel organisaties dat inmiddels met eigen mensen op. Volgens Tiggelaar wordt dit bevestigd door een artikel uit Harvard Business Review. Dit onderzoek wijst op drie onderliggende ontwikkelingen: door toepassing van nieuwe technologie kunnen organisaties gemakkelijker hun eigen analyses maken, door de ontwikkeling en diversiteit van het aanbod aan freelancers, die vaak tijdelijk aan de organisatie worden toegevoegd en door de opkomst van kleine, sterk gespecialiseerde bureaus.

Na lezing hiervan werd mij ineens duidelijk wat Tiggelaar verstaat onder de ‘klassieke’ consultant: de grote adviessupermarkten met hun partnerstructuur. Dat werd nog duidelijker toen hij aan het slot van zijn column nog een andere onderzoeker aanhaalde, een zekere Pat Lynes. Uit onderzoek was gebleken dat deze categorie consultants door veel opdrachtgevers doodeenvoudig niet wordt vertrouwd. Deze consultants zijn in de eerste plaats bezig met ‘landing and expanding’, dus met jagen op opdrachten en omzet. Het gaan hen om de eigen business, niet om die van hun opdrachtgevers. Kennelijk zijn ze er jaren mee weggekomen, maar uiteindelijk komt elk niet duurzaam verdienmodel een keer aan het einde van zijn levenscyclus. Nu is de klassieke advieswereld kennelijk aan de beurt, die ik op basis van integriteit en deskundigheid overigens beslist niet over één kam zou willen scheren zoals onvermijdelijk is in een column met een gemaximeerd aantal woorden.

Het zou wel erg gemakkelijk zijn om nu te beweren dat wij van Tien echt heel anders zijn dan de ‘klassieke consultant’ van Ben Tiggelaar. Dus laat ik het maar bij het noemen van enkele feiten die ons onderscheiden van de klassieke consultants. Wij zijn met z’n dertienen. Niet groot dus, maar gelukkig groot genoeg om elkaar te kennen, te inspireren en scherp te houden. We kennen geen partnerpiramide. Daarmee bedoel ik dat we niet bezig zijn met het creëren van financiële waarde, maar het laten bij het verwerven van een inkomen. We zijn er dus ook niet op gericht om zo veel mogelijk uren van – vaak minder ervaren – medewerkers te verkopen. Elke collega is in staat om zichzelf van werk te voorzien. Meer werk binnenhalen dan we aankunnen, gaat alleen maar ten koste van onze kwaliteit en arbeidsvreugde. En tenslotte: in onze werkwijze voegen wij ons naar de behoefte van onze opdrachtgever: soms maken wij tijdelijk onderdeel uit van zijn organisatie, soms belichamen wij de kritische blik van buiten en soms vervullen wij de rol van superspecialist. En als we denken dat andere partijen het beter kunnen, doen we het gewoon niet. Dus zonder dat we het ons echt realiseerden, zijn we eigenlijk hypermodern.

Maar zoals ik al zei, ik wil niet preken voor eigen parochie. Het zijn vooral mijn enthousiasme en trots over onze club die mij tot deze bespiegeling hebben aangezet. Met dank aan de altijd prikkelende woorden van Ben Tiggelaar.

Peter de Leeuwerk

Noblesse oblige…

Written by Peter de Leeuwerk. Posted in Blogs

Als je zo om je heen kijkt, naar een met zichzelf worstelend Verenigd Koninkrijk, naar de gele hesjes in Frankrijk, naar een wild om zich heen slaande Amerikaanse president, dan kunnen we niet anders dan van geluk spreken, van het geluk dat we mogen leven en werken in een uitstekend georganiseerd land. Maar dat betekent natuurlijk niet dat bij ons alles goed gaat, al was het maar omdat de opvattingen over wat ‘goed’ is steeds meer uit elkaar lijken te gaan lopen. Het hoort kennelijk bij deze tijd om – al dan niet vermeende – misstanden breed uit te meten, in de traditionele en ‘sociale’ media en door op effectbejag gerichte oppositiepartijen en belangengroepen. Ook al worden ‘misstanden’ uitvergroot en uit hun verband gerukt, een kern(tje) van waarheid zit er meestal wel in, en niet in de laatste plaats omdat we inmiddels wel hebben geleerd dat we ook zorgen die we niet begrijpen serieus moeten nemen. We verwachten veel van onze overheid. Vaak te veel, want als de overheid ‘op ons verzoek’ maatregelen wil treffen, stuit zij al snel tegen onze eis om onze zelfbeschikking te behouden. Of het nu gaat om onze oude dag, onze gezondheid, onze huisvesting of onze mobiliteit, om maar een paar actuele onderwerpen te noemen. Maar zelfs als de overheid de ruimte krijgt om bakens te verzetten, is daarmee het probleem nog niet opgelost. Eigenlijk begint het dan pas. Want veel verder dan ambities benoemen en links en rechts wat prikkels uitdelen kan zij niet gaan.

Dat is ook het moment waarop ons bloed sneller gaat stromen, want dan kunnen we – desgevraagd – een bescheiden bijdrage leveren aan de daadwerkelijke oplossing. Een greep uit onze vragen in het afgelopen jaar, opdrachten waarvan de overheid het ‘wat’ heeft bepaald, maar niet anders kan dan het ‘hoe’ aan andere partijen overlaten. We willen minder gezinnen die in armoede leven, maar hoe komen wij met hen in contact? We willen minder bureaucratie in de jeugdzorg, maar hoe zorgen we ervoor dat partijen beter gaan samenwerken? We willen een inclusieve arbeidsmarkt, maar wat kunnen we doen om zoveel mogelijk mensen met een afstand tot die arbeidsmarkt op de toppen van hun kunnen mee te laten doen? We willen pesten op het werk een halt toe roepen, maar welke interventies kunnen daar daadwerkelijk aan bijdragen? We willen een schonere openbare ruimte, maar hoe zorgen we er voor dat alle actoren hun verantwoordelijkheid nemen? We willen minder geld uitgeven aan onze geestelijke gezondheidszorg, maar hoe kunnen we dat doen zonder de echt noodzakelijke zorg af te breken?

Vanaf 1 januari hebben we er drie collega-partners bij. Jacqueline Ratering heeft haar werkzame leven gewijd aan het verbeteren van de verpleegkundige zorg. De ambitie van Karin Reilingh is bij te dragen aan passend en duurzaam wonen in leefbare buurten en Joop Scherpenzeel zoekt en vindt nieuwe wegen om de exploitatie van ons maatschappelijk vastgoed op een hoger niveau te tillen. Zo vormen we als Tieners een team dat een bijdrage kan leveren aan de daadwerkelijke aanpak van actuele maatschappelijke vraagstukken. En dat doen we met verve en van harte, ook in het tiende jaar van ons bestaan.

Tijdens het aanstaande kerstreces kunnen we daar even van bijkomen. Maar vooral ook om onze energiebronnen aan te boren voor het jaar dat voor ons ligt. Niet alleen energie om ons werk met toewijding te kunnen doen, maar misschien nog wel meer om niet mee te worden gesleurd in de neerwaartse spiraal van apathie en doemdenken. Want laten we eerlijk zijn: dat gevaar ligt zo nu en dan best op de loer. Want konden we twee jaar geleden nog met een glimlach om de mond nog zeggen ‘met de wereld gaat het slecht, maar met ons gaat het goed’, nieuwe ontwikkelingen en inzichten halen deze schijnbare tegenstelling onderuit. Wereldproblemen als de opwarming van de aarde, het opkomend populisme, mondiale spanningen tussen de grote mogendheden en de ondermijning van het Europese fundament gaan ons dagelijks leven steeds sterker beïnvloeden. Maar adel verplicht. Het verplicht ons om hoop te houden, het goede gesprek te voeren, te blijven zoeken naar nuance en oordelen uit te stellen, respectvol te blijven, niet cynisch of laatdunkend te worden, naar elkaar om te kijken en bereid te zijn om ook ons eigen gedrag aan te passen en natuurlijk met overgave ons werk te blijven doen. Daarnaast hopen wij natuurlijk dat je, tussen al deze overdenkingen door, tijdens de Kerstdagen zult genieten van je dierbaren, van rust, harmonie en het goede der aarde. Want op 1 januari begint weer een nieuw jaar, een jaar lang de tijd om elke dag opnieuw proberen het goede te doen en na elke val weer op te staan. Alleen zo blijven we op de been.

Peter de Leeuwerk

 

Adviseren is best simpel…

Written by Peter de Leeuwerk. Posted in Blogs

Mijn broer heeft een bedrijf. Niet in Nederland, maar in Zuid-Spanje. Ooit begonnen in het vakantiehuisje van onze ouders, maar uitgegroeid tot een onderneming met vele tientallen medewerkers en in zijn segment een belangrijke speler in Spanje, Frankrijk en Italië. Een vreemde paradox is dat naarmate een onderneming groeit, de eenzaamheid van de ondernemer toeneemt. Dat is bij mijn broer dus ook zo. Hoewel afstand en taal intensieve bemoeienis bemoeilijken, is het mijn persoonlijke en professionele missie om die kloof een beetje te overbruggen. En zo moeilijk is dat niet, want eigenlijk komen steeds dezelfde vragen terug. Ik noem er een paar:

“Ik word zo in beslag genomen door dagelijks gedoe en het herstellen van fouten dat ik niet toe kom aan alles wat met morgen en overmorgen te maken heeft. Zo blijf ik achter de feiten aanlopen”. Mijn reactie: “Als je meer dan 50% van je tijd besteedt aan dagelijkse dingen, benoem dan je slimste jonge medewerker, die aan minder dan een half woord genoeg heeft, als je rechterhand. En zorg zelf dat je deur niet al te vaak open staat; alleen dan leren medewerkers hun problemen zélf op te lossen”.

“Ik werk me drie slagen in de rondte, maar aan het eind van de dag ben ik uitgeput én heb ik het gevoel dat ik niets ben opgeschoten”. Mijn reactie: “je moet je zelf gunnen – uit zelfbehoud – dat je wekelijks niet meer dan 30% van je tijd besteedt aan zaken die alleen energie kosten. De andere 70% moet je besteden aan zaken die energie opleveren. Klopt de verhouding niet: neem iemand aan die het wèl leuk vindt. Dat verdient zich razendsnel terug”.

“Ik heb hondstrouwe medewerkers, die al jaren bij mij werken. Ik heb de neiging om ‘het ermee te doen’, maar diep in mijn hart ben ik bang dat ik met hen de oorlog niet win”. Mijn reactie: “Als je je bedrijf ziet als een alternatief voor een gewone baan, dan kun je het met hardwerkende, maar middelmatig presterende medewerkers lang volhouden. Maar wil of moet je als bedrijf groeien – omdat de markt dat afdwingt of omdat je waarde wil creëren – zorg dan dat je op cruciale plaatsen mensen plaatst die kennis en ervaring toevoegen aan je onderneming. Markten veranderen te snel om zelf steeds het wiel te willen uitvinden. En bovendien: een andere plaats in de organisatie, of gewoon een andere baan, is voor werknemers die op hun tenen lopen uiteindelijk meestal ook een grote opluchting”.

“Omdat mijn bedrijf groeit, kom ik steeds geld tekort. Leveranciers limiteren hun krediet, mijn maandelijkse operationele kosten worden steeds hoger, mijn klanten betalen steeds later en de groei van mijn bankkrediet ijlt altijd na”. Mijn reactie: “Het rustig houden van schuldeisers, het minutieus plannen van betalingen, ook nog op basis van onzekere inkomsten en het opjagen van debiteuren kosten onnoemelijk veel tijd en energie, vaak van de ondernemer zelf. Tijd en energie die niet aan andere, in feite veel belangrijker onderwerpen kunnen worden besteed. Maak dus altijd een voortschrijdende liquiditeitsplanning voor ten minste 12 maanden vooruit. Onttrek geen middelen aan je werkkapitaal voor andere zaken, bijv. bijzondere investeringen, en trek nieuw kapitaal aan als je het nog niet nodig hebt; dat is niet alleen makkelijker, maar je staat ook sterker”.

Eigenlijk is dat alles. Daarom is adviseren best simpel. Maar het moeten doen is vele malen moeilijker. Misschien staat of valt een goed advies wel door zijn overtuigingskracht: het zelfvertrouwen dat de ondernemer krijgt waarmee hij eindelijk uit zijn eeuwige spagaat kan stappen. Als mij dat lukt, is mijn missie geslaagd. Elke dag waarop ik deze sensatie beleef, met welke onderneming of organisatie dan ook, is voor mij dan ook een welbestede dag.

Nieuwsgierig naar dat bedrijf van mijn broer? Het is geen geheim hoor, ga naar http://www.grupoerik.com/. Dan weet je in elk geval dat mijn broer Erik heet. Over een paar weken, als hier de herfst definitief is ingetreden, moet ik beslist weer eens poolshoogte gaan nemen 😉

Peter de Leeuwerk

 

Thuis…

Written by Peter de Leeuwerk. Posted in Blogs

‘De kunst van het leven is thuis te zijn alsof je op reis bent’ las ik ooit ergens. Als iedereen zich deze leefregel eigen zou maken, zou de opwarming van de aarde, de ‘verloedering’ van prachtige oude binnensteden en mooie natuurgebieden in elk geval een halt worden toegeroepen. Maar de praktijk is anders: hele volksstammen maken zich weer op om hun hele hebben en houden voor een aantal weken te verplaatsen, zwarte zaterdagen, jengelende kinderen, overvolle campings en lange rijen bij incheckbalies ten spijt. En ik natuurlijk ook, hoewel ik mijzelf natuurlijk wijs maak dat wij de drukte vermijden en bijna geen foodprint achterlaten. Onzin natuurlijk. Terwijl iedereen weet dat het mooiste van op reis gaan het thuiskomen is. Daarom is die overbekende reclame van Douwe Egberts zo treffend: weer terug in de vertrouwde omgeving. Want wees eerlijk: op het moment dat je dit leest begint toch onmiddellijk dat vertrouwde deuntje in je hoofd te spelen.

Ik ben op dit spoor terechtgekomen door de aandacht die de Duitse filosoof Daniel Schreiber ten deel is gevallen door de verschijning van zijn boek ‘Thuis – de zoektocht naar de plek waar we willen leven’. Schreiber stelt dat we leven in een tijd van collectieve ontworteling. Politiek wordt dat gevoel echter op een verschrikkelijke wijze uitgebuit door rechtspopulisten. Hij stelt daar het volgende tegenover: het antwoord op de vraag hoe je je leven zo kan inrichten dat het als thuis aanvoelt, dus hoe je antwoord geeft op deze collectieve ontworteling, is de individuele ‘verworteling’. Je moet zelf een leven bouwen, zo stelt hij, en je niet laten misbruiken door een sentimenteel verlangen naar een thuis door honger naar macht.

Ook vanuit een ander perspectief is het niet toevallig dat het onderwerp ‘thuis’ momenteel in de belangstelling staat. Ons land kent inmiddels een immens leger aan zzp-ers, veelal professionals die vanuit huis opereren. De rationalisaties van hun ‘vrije keuze’ zijn legio: lekker thuis werken (want wie wil dat nu niet), vrijheid genieten, files vermijden, werken als het je uitkomt, en ga zo maar door. En technisch gesproken kan het ook makkelijk: met een laptop, een smartphone en een internetverbinding is bijna alles mogelijk, en alle apps en computerprogramma’s doen de rest. Maar volgens mij is dat maar een deel van het verhaal; ik geloof namelijk dat juist thuis werken heel eenzaam kan zijn. Want met wie kun je je successen dan vieren, je teleurstellingen en frustraties delen, je professioneel laven, je op je kwetsbaarst tonen, wie durf je zonder buikpijn op je relaties af te sturen, met wie kun je samen eten en lachen, wie maakt er een goeie bak koffie voor je als je druk zit te typen, waar ontmoet je de mensen die oprecht in jou geïnteresseerd zijn en niet alleen in je product en die je accepteren zoals je echt bent en niet zoals anderen willen dat je bent?

Het is bijna 9 jaar geleden dat wij met Tien begonnen. Op een enkeling na zijn we er allemaal nog. Sterker nog: er hebben zich in de loop der tijd anderen bij ons aangesloten. En de uitnodiging daartoe staat permanent open. We hebben een huiselijk en representatief kantoor en worden dagelijks uit de wind gehouden door de beste kantoorondersteuners die we ons maar kunnen wensen. Onze advies- en interim-managementpraktijken verschillen nogal. Om met Daniël Schreiber te spreken: toch zijn we allemaal individueel verworteld in Tien. Vrijheid in gebondenheid en gebondenheid in vrijheid. Je zou het elke autonome professional gunnen. Want laten we eerlijk zijn: gewoon ergens bij horen, ergens een thuis kunnen vinden, is toch een primaire menselijke behoefte. En juist in tijden waarin dat minder vanzelfsprekend lijkt, worden we ons hiervan meer dan ooit bewust. Denk hier maar eens goed over na de komende zomer, wachtend bij een incheckbalie of een tolpoortje. Goede zomer gewenst.

Peter de Leeuwerk

 

Arbeidsmarktrelevantie…

Written by Erwin van Rooijen. Posted in Blogs

Deze week verschenen de nieuwe arbeidsmarktprognoses van het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (ROA) van de Universiteit van Maastricht. De kranten stonden er weer bol van: lerarentekorten, tekorten in de techniek, tekorten in de ICT en nog veel meer voorspellingen. Het is gedegen onderzoek, uitgevoerd door zeer bekwame onderzoekers en het is relevante informatie. Ik maak veel gebruik van de ROA-cijfers in het kader van doelmatigheidsonderzoeken die ik uitvoer voor hogescholen. Om nieuwe opleidingen door het ministerie bekostigd te krijgen moeten hogescholen de zogenaamde ‘macro-doelmatigheidstoets’ doorstaan. Door middel van onderzoek moet worden onderbouwd dat de nieuwe opleiding doelmatig is, een toegevoegde waarde heeft, kan rekenen op voldoende studenten en arbeidsmarktrelevantie heeft. Dat vind ik ook terecht, tenminste als het gaat om beroepsonderwijs. Het gaat immers om publiek geld. Dat moet verantwoord worden besteed. Ben ik het mee eens, op macroniveau.

Maar wanneer ik in een krantenkop lees “Scholieren richten zich te veel op wat ze leuk vinden”, aldus de onderzoeker namens het ROA, dan gaan bij mij alle alarmbellen af en denk ik: daar gaan we weer. Ik vind dat jongeren zich juíst moeten laten leiden door wat ze leuk vinden. Dat is hún arbeidsmarktrelevantie. Mijn oud-collega en gerenommeerd onderwijssocioloog Frans Meijers roept het al meer dan dertig jaar, ook gebaseerd op degelijk empirisch onderzoek (waaraan ik heb mogen meewerken): jongeren kiezen niet op basis van informatie, maar kiezen uiteindelijk op basis van ervaring. Leuk al die studie- en beroepskeuzetestjes en al die beschouwingen over arbeidsmarktrelevantie, maar (verreweg de meeste) jongeren laten zich er niet door leiden. En dat is maar goed ook.

Wanneer mensen zeggen ‘ik sta in de file’ bedoelen ze eigenlijk ‘ik sta hier mede een file te veroorzaken’, maar zo ervaren ze het niet. Ze ervaren de file als een gegeven waardoor zij worden gedupeerd. Veel mensen kijken ook zo aan tegen ‘de overheid’: een abstract (noodzakelijk) kwaad. Mijn (politieke) opvatting is dat wij juist met z’n allen de overheid zijn.

Zo werkt het ook vaak met de term ‘arbeidsmarktrelevantie’. Alsof het een onvermijdelijk gegeven (in de toekomst) is waaraan wij (en zeker studerende jongeren) zich maar moeten aanpassen. Dan maar ‘iets minder leuk’, maar wel meer kans op werk.

Je hoort ook wel eens spreken over opleidingen die ‘opleiden tot werkloosheid’. Dat vind ik beledigend voor de studenten en de docenten, die het lef hebben om zich uitsluitend door intrinsieke motivatie te laten leiden. Zij zijn degenen die de samenleving uiteindelijk écht verder brengen, niet de ‘volgers’ die zich laten leiden door cijfers.

Natuurlijk begrijp ik hoe de economische conjunctuur werkt, maar ik zou het dominante arbeidsmarktkansen-paradigma willen omdraaien: de jongeren van nu, die kiezen wat ze leuk vinden, creëren zelf hun arbeidsmarktrelevantie van morgen. Zij moeten de toekomstige samenleving maken en vormgeven, niet hun keuze afstemmen op rekenmodellen. Ik kan het weten, want ik heb destijds gekozen voor een zeer arbeidsmarktirrelevante opleiding (in termen van ROA-prognoses) en ben nog geen dag werkloos geweest.

Dus mijn advies aan alle jongeren in Nederland: kies wat je leuk vindt, volg je hart, volg je passie.

Met deze kerstgedachte wens ik u allen een mooi en gezond 2018.

Erwin van Rooijen

 

Er is een paard aan de gang…

Written by Peter de Leeuwerk. Posted in Blogs

Misschien is het belangrijkste van samenwerken met gelijkgezinde adviseurs dat we elkaar kunnen inspireren en met nieuwe inzichten kunnen voeden. Dat gaat heus niet vanzelf, dat moeten we goed plannen en voorbereiden. Want niemand wil de hoon van zijn collega’s voelen bij een mislukt avontuur of een goede relatie op het spel zetten omdat collega’s op het laatste moment één voor één afhaken. Want laten we wel zijn: iets met of voor collega’s organiseren is nog spannender dan met of voor opdrachtgevers.

Zo was al maanden geleden een happening in mijn agenda gezet met als onderwerp ‘iets met paarden’, en nog wel een hele dag ook. Ik wist dat mijn collega Ine de Leeuw (what’s in a name) veel met dieren heeft – zo heeft zij zich bekwaamd in coachen met paarden – maar om mij nu een hele dag tussen die schichtige, onwelriekende hoefgangers op te houden, leek mij in eerste instantie wel heel veel van het goede.

Maar niets is wat het lijkt, zo heb ik ook deze keer weer ervaren. Want er ging een nieuwe wereld voor mij open. Paarden lijken niet op mensen, maar dat komt bij het coachen van mensen juist heel goed uit. Paarden zijn hypersensitief, communiceren volledig non-verbaal en vertonen een volstrekt authentiek gedrag. De signalen die zij afgeven zijn dus gespeend van elke vorm van vertekening, misleiding of overdondering. Des te indrukwekkender waren die signalen dan ook, niet in de laatste plaats in de vorm van een door een van de paarden afgelegde ‘proeve van bekwaamheid’. De trainster vroeg ons, 13 collega’s, ons op leeftijd op te stellen, van oud naar jong, van rechts naar links (helaas stond ik zelf helemaal rechts.) Op zichzelf niet zo heel moeilijk zou je zeggen. Na enige tijd liep het paardje naar een collega, duwde hem uit de rij en positioneerde hem aan de andere kant van de collega die naast hem stond. Bij nadere analyse bleek dat de betreffende collega niet drie maanden jonger, maar drie maanden ouder was dan de collega naast hem. Onze monden vielen open.

De vraag zou natuurlijk kunnen zijn: ‘leuk, maar wat kun je daar dan mee?’. Waartoe paarden in staat zijn is het gevoel dat een mens heeft helpen uitvergroten. Maar dat niet alleen, een paard helpt voorkomen dat we onze echte gevoelens verbergen of wegrationaliseren, zoals we onszelf dat in de loop van ons leven hebben moeten aanleren om voortdurend aan andermans verwachtingen te voldoen. Werken met paarden kan ons ook helpen om niet te blijven hangen in oeverloze verbale verhandelingen en uit al die teksten die zaken te filteren die ons eigen gelijk bewijzen. In moderne termen gesproken: een paard laat zich niet framen.

Bij het dieper inzicht krijgen in leiderschapsvragen ga ik regelmatig te rade bij border collies en schaapskuddes. Een bezoek aan een manege, onder de bezielende leiding van mijn gewaardeerde collega Ine, gaat vanaf vandaag ook onderdeel worden van mijn repertoire als adviseur van directie- en managementteams. Al was het maar omdat het onze eigen kijk op zaken genadeloos kan relativeren.

Het zal wel niet meer zo lang duren vooraleer ik mijn collega’s op een inspirerende bijeenkomst mag trakteren. Het zal niet meevallen om deze bijzondere ervaring te overtreffen. En dat stinken viel trouwens ook best mee.

Peter de Leeuwerk

 

Tussen ganzenveer en toetsenbord…

Written by Erwin van Rooijen. Posted in Blogs

Het wordt niks met de Steve Jobsscholen: “te rigide, te duur, te commercieel”, zo kopte de Volkskrant onlangs. Nee, het wordt niks en dat is maar goed ook. Het was ook voorspelbaar. Niet omdat het ‘concept’ ontsproten was aan het brein van een ietwat ijdeltuitige, zichzelf overschattende opiniepeiler, die zich in deze missie baseerde op een netto steekproef van N=1 (zijn dochter). Ook niet omdat het idee helemaal compleet onzinnig is. Natuurlijk moet ICT pedagogisch en didactisch worden verankerd in het curriculum, ook in het basisonderwijs, ook en juist bij jonge kinderen. De tijden veranderen, de wereld digitaliseert en het onderwijs moet meebewegen. Helemaal mee eens.

Nee, het wordt niks met de Steve Jobsscholen om de door de Volkskrant genoemde redenen en omdat het ‘concept’ onderwijskundig gewoon niet deugt. Het is elitair en het gaat gewoon veel te ver. Niet in de zin dat het zijn tijd te ver vooruit is, maar omdat het middel tot doel is verheven en die pendule slaat altijd weer de andere kant op, zo leert de geschiedenis ons keer op keer. Het is de dialectiek van de geschiedenis, die Marx overnam van Hegel: these-antithese-synthese. Dat zien we hier ook gebeuren. Kinderen leren niet van een tablet, kinderen leren van een docent.

De docenten in het basisonderwijs hebben aangekondigd binnenkort maar liefst een heel uur te gaan staken. Zij doen dat uit onvrede met hun veel te lage salaris en ze hebben mijn steun. De dieper liggende reden is natuurlijk de status van het vak van onderwijzer. Het is goed om daar keer op keer de aandacht op te vestigen. Die status staat onder druk en moet omhoog. Goed onderwijs begint bij goede docenten. Dát is wat ieder onderzoek (‘evidence based’) steeds weer laat zien.

Nee, dit is geen reactionair, nostalgisch praatje, waarin ‘de geur van krijt’ hoger wordt geacht dan digitale leermiddelen. Er niks mis met (mits juist gedoseerd en gedoceerd) ‘embedded learning’. Docenten moeten hun leerlingen meenemen en begeleiden in de fysieke én digitale wereld van nu en morgen. Daartoe moeten ze ook goed geëquipeerd zijn en daarvoor moeten ze ook adequaat beloond worden.

De uitdaging waar docenten de komende jaren voor staan is moeilijker, maar ook spannender en uitdagender dan ooit: laveren ‘tussen ganzenveer en toetsenbord’, terwijl de leerling centraal blijft staan. Want het is een al lang bestaand ethisch principe in onderwijsland: met leerlingen experimenteer je niet.

Erwin van Rooijen

 

Werktijd…

Written by Erwin van Rooijen. Posted in Blogs

Minister Asscher vindt dat de overheid een beetje moet letten op het wel en wee van werknemers. Dat vind ik ook. Minister Asscher vindt als sociaal democraat ook dat de overheid best ver mag gaan in het maken van wet- en regelgeving om werknemers te beschermen tegen de grillen van het kapitalisme. Ben ik ook wel met hem eens. Laten we de ‘Verelendung’ en de marxistische wereldrevolutie van het proletariaat voor zijn. De tijden zijn al grillig genoeg anno 2017.

Waar het gaat om zijn visie op het reguleren van vraag en aanbod (van een toenemend aantal buitenlandse werknemers) op de arbeidsmarkt en de daarbij passende lonen begin ik een beetje te twijfelen. Oprecht en goed bedoeld, daar twijfel ik niet aan, maar een beetje protectionisme sluipt er natuurlijk toch wel in. Moet je als kwetsbare partij mee uitkijken zo vlak voor de verkiezingen.

Wanneer hij ervoor pleit dat de overheid richtlijnen moet gaan uitvaardigen om het werk-gerelateerde e-mailgedrag buiten de ‘reguliere werktijden’ aan banden te leggen, vind ik dat hij volkomen doorschiet in ouderwetse betutteling.

Natuurlijk heb ik als zelfstandig ondernemer makkelijk praten. Ik heb geen ‘nine to five baan’ en bij mij lopen ‘werk- en privétijd’ vaak dwars door elkaar heen. Dat wil ik ook. Zo sta ik in het leven. De invulling van hoe ik mijn werk invul ís mijn manier van leven. Ik houd mij bezig met maatschappelijke vraagstukken en die houden zich nu eenmaal niet aan de prikklok. Mijn opdrachtgevers ook niet. Bovendien verkoop ik als adviseur – zoals een directeur van mij (toen ik nog wel ergens op de loonlijst stond) het ooit zo treffend formuleerde – vooral ‘nachtrust’. Mijn opdrachtgever kan rustig gaan slapen. Ik werk door totdat het goed is. Part of the job. En mijn eigen nachtrust, ook daar zorg ik zelf wel voor. Uiteraard begrijp ik heel goed en respecteer ik het ook dat velen wél hechten aan de grens tussen privé en werk. Daar heeft een ieder ook recht op. Ik begrijp ook heel goed dat dat afhankelijk is van het type werk dat je doet.

Maar als wij (‘de samenleving’, ‘de politiek’, ‘de belangenorganisaties’, ‘de media’, ‘het onderwijs’) – wat mij betreft terecht – voortdurend een beroep doen op onze eigen verantwoordelijkheid, de noodzaak tot flexibiliteit benadrukken, ‘employability’ hoog in het vaandel willen houden, de vanzelfsprekendheid van het ‘levenslange dienstverband’ zien verdwijnen, de mondigheid en waardigheid van álle werknemers als uitgangspunt nemen, dan is het natuurlijk idioot om van overheidswege werkgevers te verplichten het e-mailgedrag buiten ’werktijd’ te reguleren en werknemers het ‘recht’ op e-mailloze uren te geven, in de illusie dat dit ‘stress reducerend’ zal werken.

Zoals gezegd vind ik dat betuttelend, ouderwets en dus in tegenspraak met genoemde trends. Door als overheid op deze wijze werknemers ‘tegen zichzelf in bescherming te nemen’, onderschat je hun mondigheid en weerbaarheid. Dit is – om Marx dan toch nog één keer te citeren – een subtiele vorm van ‘repressieve tolerantie’. Laat werknemers zelf bepalen of ze wel of niet reageren op e-mails die na 17.00 uur ontvangen worden. Daar zijn ze echt groot genoeg voor. Bovendien: wie weet welke kansen je laat liggen als je bepaalde berichten ‘te laat’ leest?

Mocht u willen reageren op deze blog. Mail mij wanneer u wilt (evanrooijen@tienorganisatieadvies.nl). Binnen 24 uur heeft u antwoord. Beloofd.

Erwin van Rooijen

 

Inclusieve arbeidsmarkt een fata morgana?

Written by Peter de Leeuwerk. Posted in Blogs

Daar kan ik kort over zijn. Het antwoord op deze vraag: een volmondig ‘ja’!’. Het is niet meer dan een bezweringsformule om ernstige problemen te bagatelliseren en deze dus niet te hoeven oplossen.

Misschien toch even toelichten. Sinds begin 2015 kennen we de veel besproken Participatiewet, bedoeld om zo veel mogelijk burgers ‘met een afstand tot de arbeidsmarkt’ structureel aan betaald werk te krijgen en te houden. Niet alleen de mensen die voorheen toegang kregen tot de Wet Sociale Werkvoorziening (WsW), maar ook de voormalige zgn. Wajongers en niet te vergeten de grote groep burgers in de bijstand. De verantwoordelijkheid hiervoor werd neergelegd bij de gemeenten, uiteraard met oplegging van een efficiencykorting (in mijn ogen altijd een grove diskwalificatie van de partijen die voorheen verantwoordelijk waren, maar dit terzijde). Op straffe van een dreigend boetesysteem kregen werkgevers de opdracht om mensen ‘met een afstand’ in dienst te nemen, waarmee het probleem zich a.h.w. zelf zou oplossen, daarbij geholpen door deze bezweringsformule van landelijke en lokale politieke bestuurders: ’we hebben nu toch een inclusieve arbeidsmarkt?’.

Ik ga mijn gelijk niet halen door te wijzen naar de resultaten die tot nu toe geboekt zijn (die komen bij lange na niet in de buurt van de doelstellingen), maar door te wijzen op een denkfout. Dat er mensen zijn die bijzondere hulp nodig hebben om aan het werk te komen en te blijven, is van alle tijden en alle plaatsen. Dat kan met geen bezweringsformule worden weggenomen. En het aantal is zo groot dat gecumuleerde ‘liefdadigheid’ van werkgevers absoluut ontoereikend is om hen allemaal te kunnen helpen. Werkgevers hebben uiteindelijk maar één belang: de continuïteit – en dus slagkracht, kwaliteit en efficiency – van hun onderneming of organisatie. Daarbinnen is best wel ruimte om initiatieven te nemen die daaraan niet direct bijdragen, maar dat is per definitie marginaal, letterlijk en figuurlijk. En dan nog: als zij al bereid zijn ‘hun verantwoordelijkheid te nemen’, dan doen zij dat alleen als zij daarbij ‘ontzorgd’ worden.

Nu ligt het voor de hand te stellen: ‘dat zien we dan wel, dan passen we het beleid t.z.t. wel weer aan’. Maar ook dat is een denkfout. In de eerste plaats neemt de – ongewenste – tweedeling van de samenleving toe in plaats van af. Neem alleen al de groep jonge mensen ‘met een afstand’; omdat zij door nieuwe regelgeving de maatschappij geen geld meer kosten, zoals voorheen via Wajong-uitkeringen, verdwijnen zij uit de boeken en wordt hun ‘misparticipatie’ niet meer als een probleem gezien. In de tweede plaats verdampt de expertise die in vele tientallen jaren is opgebouwd bij m.n. de sociale werkbedrijven. Als geen andere partij zijn zij in staat vast te stellen waartoe mensen wèl in staat zijn, concepten te ontwikkelen en uit te voeren die de kloof tussen betrokkenen en werkgevers overbruggen (bijv. via allerlei vormen van detachering en jobcarving) en op een zo efficiënt mogelijke manier te markt te bedienen, niet in de laatste plaats omdat zij in staat zijn werkgevers te ontzorgen. Miskenning van hun toegevoegde waarde betekent vernietiging van menselijk kapitaal, kapitaal dat we nu, straks en altijd hard nodig hebben.

Preken voor eigen parochie. Dat zou mij kunnen worden verweten. Ik ben tenslotte voorzitter van de Raad van Commissarissen van UW, het sociaal werkbedrijf van Utrecht. Het zou vreemd zijn als ik niet zou geloven in de kracht en slagvaardigheid van onze organisatie. Maar ik denk dat er veel sociaal werkbedrijven zijn als UW: een onderneming die onder professioneel management (en toezicht natuurlijk) zich al in een heel vroeg stadium is gaan voorbereiden op de effecten van de Participatiewet. En die zichzelf a.h.w. opnieuw heeft uitgevonden om het gehele spectrum aan mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt te kunnen bedienen en op tal van manieren de verbinding met het werkgeversveld te leggen om – natuurlijk tegen lagere kosten dan voorheen – zo veel mogelijk mensen aan het arbeidsproces te laten deelnemen. Niet enkele tientallen of honderden, maar de vele duizenden uitkeringsgerechtigden die de bestanden vullen van middelgrote en grote gemeenten.

De markt pakt dat echt niet zelf op. Daarop toch wachten is niet alleen zinloos, maar zet ons als samenleving op een nog grotere achterstand. En dan zou ook deze wet, net als de wet Werk en Zekerheid en de wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelatie, precies het tegenovergestelde effect hebben dan ermee was beoogd. Dat is niet alleen jammer, het zou verschrikkelijk zijn.

Peter de Leeuwerk