Thuis…

Written by Peter de Leeuwerk. Posted in Blogs

‘De kunst van het leven is thuis te zijn alsof je op reis bent’ las ik ooit ergens. Als iedereen zich deze leefregel eigen zou maken, zou de opwarming van de aarde, de ‘verloedering’ van prachtige oude binnensteden en mooie natuurgebieden in elk geval een halt worden toegeroepen. Maar de praktijk is anders: hele volksstammen maken zich weer op om hun hele hebben en houden voor een aantal weken te verplaatsen, zwarte zaterdagen, jengelende kinderen, overvolle campings en lange rijen bij incheckbalies ten spijt. En ik natuurlijk ook, hoewel ik mijzelf natuurlijk wijs maak dat wij de drukte vermijden en bijna geen foodprint achterlaten. Onzin natuurlijk. Terwijl iedereen weet dat het mooiste van op reis gaan het thuiskomen is. Daarom is die overbekende reclame van Douwe Egberts zo treffend: weer terug in de vertrouwde omgeving. Want wees eerlijk: op het moment dat je dit leest begint toch onmiddellijk dat vertrouwde deuntje in je hoofd te spelen.

Ik ben op dit spoor terechtgekomen door de aandacht die de Duitse filosoof Daniel Schreiber ten deel is gevallen door de verschijning van zijn boek ‘Thuis – de zoektocht naar de plek waar we willen leven’. Schreiber stelt dat we leven in een tijd van collectieve ontworteling. Politiek wordt dat gevoel echter op een verschrikkelijke wijze uitgebuit door rechtspopulisten. Hij stelt daar het volgende tegenover: het antwoord op de vraag hoe je je leven zo kan inrichten dat het als thuis aanvoelt, dus hoe je antwoord geeft op deze collectieve ontworteling, is de individuele ‘verworteling’. Je moet zelf een leven bouwen, zo stelt hij, en je niet laten misbruiken door een sentimenteel verlangen naar een thuis door honger naar macht.

Ook vanuit een ander perspectief is het niet toevallig dat het onderwerp ‘thuis’ momenteel in de belangstelling staat. Ons land kent inmiddels een immens leger aan zzp-ers, veelal professionals die vanuit huis opereren. De rationalisaties van hun ‘vrije keuze’ zijn legio: lekker thuis werken (want wie wil dat nu niet), vrijheid genieten, files vermijden, werken als het je uitkomt, en ga zo maar door. En technisch gesproken kan het ook makkelijk: met een laptop, een smartphone en een internetverbinding is bijna alles mogelijk, en alle apps en computerprogramma’s doen de rest. Maar volgens mij is dat maar een deel van het verhaal; ik geloof namelijk dat juist thuis werken heel eenzaam kan zijn. Want met wie kun je je successen dan vieren, je teleurstellingen en frustraties delen, je professioneel laven, je op je kwetsbaarst tonen, wie durf je zonder buikpijn op je relaties af te sturen, met wie kun je samen eten en lachen, wie maakt er een goeie bak koffie voor je als je druk zit te typen, waar ontmoet je de mensen die oprecht in jou geïnteresseerd zijn en niet alleen in je product en die je accepteren zoals je echt bent en niet zoals anderen willen dat je bent?

Het is bijna 9 jaar geleden dat wij met Tien begonnen. Op een enkeling na zijn we er allemaal nog. Sterker nog: er hebben zich in de loop der tijd anderen bij ons aangesloten. En de uitnodiging daartoe staat permanent open. We hebben een huiselijk en representatief kantoor en worden dagelijks uit de wind gehouden door de beste kantoorondersteuners die we ons maar kunnen wensen. Onze advies- en interim-managementpraktijken verschillen nogal. Om met Daniël Schreiber te spreken: toch zijn we allemaal individueel verworteld in Tien. Vrijheid in gebondenheid en gebondenheid in vrijheid. Je zou het elke autonome professional gunnen. Want laten we eerlijk zijn: gewoon ergens bij horen, ergens een thuis kunnen vinden, is toch een primaire menselijke behoefte. En juist in tijden waarin dat minder vanzelfsprekend lijkt, worden we ons hiervan meer dan ooit bewust. Denk hier maar eens goed over na de komende zomer, wachtend bij een incheckbalie of een tolpoortje. Goede zomer gewenst.

Peter de Leeuwerk

 

Arbeidsmarktrelevantie…

Written by Erwin van Rooijen. Posted in Blogs

Deze week verschenen de nieuwe arbeidsmarktprognoses van het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (ROA) van de Universiteit van Maastricht. De kranten stonden er weer bol van: lerarentekorten, tekorten in de techniek, tekorten in de ICT en nog veel meer voorspellingen. Het is gedegen onderzoek, uitgevoerd door zeer bekwame onderzoekers en het is relevante informatie. Ik maak veel gebruik van de ROA-cijfers in het kader van doelmatigheidsonderzoeken die ik uitvoer voor hogescholen. Om nieuwe opleidingen door het ministerie bekostigd te krijgen moeten hogescholen de zogenaamde ‘macro-doelmatigheidstoets’ doorstaan. Door middel van onderzoek moet worden onderbouwd dat de nieuwe opleiding doelmatig is, een toegevoegde waarde heeft, kan rekenen op voldoende studenten en arbeidsmarktrelevantie heeft. Dat vind ik ook terecht, tenminste als het gaat om beroepsonderwijs. Het gaat immers om publiek geld. Dat moet verantwoord worden besteed. Ben ik het mee eens, op macroniveau.

Maar wanneer ik in een krantenkop lees “Scholieren richten zich te veel op wat ze leuk vinden”, aldus de onderzoeker namens het ROA, dan gaan bij mij alle alarmbellen af en denk ik: daar gaan we weer. Ik vind dat jongeren zich juíst moeten laten leiden door wat ze leuk vinden. Dat is hún arbeidsmarktrelevantie. Mijn oud-collega en gerenommeerd onderwijssocioloog Frans Meijers roept het al meer dan dertig jaar, ook gebaseerd op degelijk empirisch onderzoek (waaraan ik heb mogen meewerken): jongeren kiezen niet op basis van informatie, maar kiezen uiteindelijk op basis van ervaring. Leuk al die studie- en beroepskeuzetestjes en al die beschouwingen over arbeidsmarktrelevantie, maar (verreweg de meeste) jongeren laten zich er niet door leiden. En dat is maar goed ook.

Wanneer mensen zeggen ‘ik sta in de file’ bedoelen ze eigenlijk ‘ik sta hier mede een file te veroorzaken’, maar zo ervaren ze het niet. Ze ervaren de file als een gegeven waardoor zij worden gedupeerd. Veel mensen kijken ook zo aan tegen ‘de overheid’: een abstract (noodzakelijk) kwaad. Mijn (politieke) opvatting is dat wij juist met z’n allen de overheid zijn.

Zo werkt het ook vaak met de term ‘arbeidsmarktrelevantie’. Alsof het een onvermijdelijk gegeven (in de toekomst) is waaraan wij (en zeker studerende jongeren) zich maar moeten aanpassen. Dan maar ‘iets minder leuk’, maar wel meer kans op werk.

Je hoort ook wel eens spreken over opleidingen die ‘opleiden tot werkloosheid’. Dat vind ik beledigend voor de studenten en de docenten, die het lef hebben om zich uitsluitend door intrinsieke motivatie te laten leiden. Zij zijn degenen die de samenleving uiteindelijk écht verder brengen, niet de ‘volgers’ die zich laten leiden door cijfers.

Natuurlijk begrijp ik hoe de economische conjunctuur werkt, maar ik zou het dominante arbeidsmarktkansen-paradigma willen omdraaien: de jongeren van nu, die kiezen wat ze leuk vinden, creëren zelf hun arbeidsmarktrelevantie van morgen. Zij moeten de toekomstige samenleving maken en vormgeven, niet hun keuze afstemmen op rekenmodellen. Ik kan het weten, want ik heb destijds gekozen voor een zeer arbeidsmarktirrelevante opleiding (in termen van ROA-prognoses) en ben nog geen dag werkloos geweest.

Dus mijn advies aan alle jongeren in Nederland: kies wat je leuk vindt, volg je hart, volg je passie.

Met deze kerstgedachte wens ik u allen een mooi en gezond 2018.

Erwin van Rooijen

 

Er is een paard aan de gang…

Written by Peter de Leeuwerk. Posted in Blogs

Misschien is het belangrijkste van samenwerken met gelijkgezinde adviseurs dat we elkaar kunnen inspireren en met nieuwe inzichten kunnen voeden. Dat gaat heus niet vanzelf, dat moeten we goed plannen en voorbereiden. Want niemand wil de hoon van zijn collega’s voelen bij een mislukt avontuur of een goede relatie op het spel zetten omdat collega’s op het laatste moment één voor één afhaken. Want laten we wel zijn: iets met of voor collega’s organiseren is nog spannender dan met of voor opdrachtgevers.

Zo was al maanden geleden een happening in mijn agenda gezet met als onderwerp ‘iets met paarden’, en nog wel een hele dag ook. Ik wist dat mijn collega Ine de Leeuw (what’s in a name) veel met dieren heeft – zo heeft zij zich bekwaamd in coachen met paarden – maar om mij nu een hele dag tussen die schichtige, onwelriekende hoefgangers op te houden, leek mij in eerste instantie wel heel veel van het goede.

Maar niets is wat het lijkt, zo heb ik ook deze keer weer ervaren. Want er ging een nieuwe wereld voor mij open. Paarden lijken niet op mensen, maar dat komt bij het coachen van mensen juist heel goed uit. Paarden zijn hypersensitief, communiceren volledig non-verbaal en vertonen een volstrekt authentiek gedrag. De signalen die zij afgeven zijn dus gespeend van elke vorm van vertekening, misleiding of overdondering. Des te indrukwekkender waren die signalen dan ook, niet in de laatste plaats in de vorm van een door een van de paarden afgelegde ‘proeve van bekwaamheid’. De trainster vroeg ons, 13 collega’s, ons op leeftijd op te stellen, van oud naar jong, van rechts naar links (helaas stond ik zelf helemaal rechts.) Op zichzelf niet zo heel moeilijk zou je zeggen. Na enige tijd liep het paardje naar een collega, duwde hem uit de rij en positioneerde hem aan de andere kant van de collega die naast hem stond. Bij nadere analyse bleek dat de betreffende collega niet drie maanden jonger, maar drie maanden ouder was dan de collega naast hem. Onze monden vielen open.

De vraag zou natuurlijk kunnen zijn: ‘leuk, maar wat kun je daar dan mee?’. Waartoe paarden in staat zijn is het gevoel dat een mens heeft helpen uitvergroten. Maar dat niet alleen, een paard helpt voorkomen dat we onze echte gevoelens verbergen of wegrationaliseren, zoals we onszelf dat in de loop van ons leven hebben moeten aanleren om voortdurend aan andermans verwachtingen te voldoen. Werken met paarden kan ons ook helpen om niet te blijven hangen in oeverloze verbale verhandelingen en uit al die teksten die zaken te filteren die ons eigen gelijk bewijzen. In moderne termen gesproken: een paard laat zich niet framen.

Bij het dieper inzicht krijgen in leiderschapsvragen ga ik regelmatig te rade bij border collies en schaapskuddes. Een bezoek aan een manege, onder de bezielende leiding van mijn gewaardeerde collega Ine, gaat vanaf vandaag ook onderdeel worden van mijn repertoire als adviseur van directie- en managementteams. Al was het maar omdat het onze eigen kijk op zaken genadeloos kan relativeren.

Het zal wel niet meer zo lang duren vooraleer ik mijn collega’s op een inspirerende bijeenkomst mag trakteren. Het zal niet meevallen om deze bijzondere ervaring te overtreffen. En dat stinken viel trouwens ook best mee.

Peter de Leeuwerk

 

Tussen ganzenveer en toetsenbord…

Written by Erwin van Rooijen. Posted in Blogs

Het wordt niks met de Steve Jobsscholen: “te rigide, te duur, te commercieel”, zo kopte de Volkskrant onlangs. Nee, het wordt niks en dat is maar goed ook. Het was ook voorspelbaar. Niet omdat het ‘concept’ ontsproten was aan het brein van een ietwat ijdeltuitige, zichzelf overschattende opiniepeiler, die zich in deze missie baseerde op een netto steekproef van N=1 (zijn dochter). Ook niet omdat het idee helemaal compleet onzinnig is. Natuurlijk moet ICT pedagogisch en didactisch worden verankerd in het curriculum, ook in het basisonderwijs, ook en juist bij jonge kinderen. De tijden veranderen, de wereld digitaliseert en het onderwijs moet meebewegen. Helemaal mee eens.

Nee, het wordt niks met de Steve Jobsscholen om de door de Volkskrant genoemde redenen en omdat het ‘concept’ onderwijskundig gewoon niet deugt. Het is elitair en het gaat gewoon veel te ver. Niet in de zin dat het zijn tijd te ver vooruit is, maar omdat het middel tot doel is verheven en die pendule slaat altijd weer de andere kant op, zo leert de geschiedenis ons keer op keer. Het is de dialectiek van de geschiedenis, die Marx overnam van Hegel: these-antithese-synthese. Dat zien we hier ook gebeuren. Kinderen leren niet van een tablet, kinderen leren van een docent.

De docenten in het basisonderwijs hebben aangekondigd binnenkort maar liefst een heel uur te gaan staken. Zij doen dat uit onvrede met hun veel te lage salaris en ze hebben mijn steun. De dieper liggende reden is natuurlijk de status van het vak van onderwijzer. Het is goed om daar keer op keer de aandacht op te vestigen. Die status staat onder druk en moet omhoog. Goed onderwijs begint bij goede docenten. Dát is wat ieder onderzoek (‘evidence based’) steeds weer laat zien.

Nee, dit is geen reactionair, nostalgisch praatje, waarin ‘de geur van krijt’ hoger wordt geacht dan digitale leermiddelen. Er niks mis met (mits juist gedoseerd en gedoceerd) ‘embedded learning’. Docenten moeten hun leerlingen meenemen en begeleiden in de fysieke én digitale wereld van nu en morgen. Daartoe moeten ze ook goed geëquipeerd zijn en daarvoor moeten ze ook adequaat beloond worden.

De uitdaging waar docenten de komende jaren voor staan is moeilijker, maar ook spannender en uitdagender dan ooit: laveren ‘tussen ganzenveer en toetsenbord’, terwijl de leerling centraal blijft staan. Want het is een al lang bestaand ethisch principe in onderwijsland: met leerlingen experimenteer je niet.

Erwin van Rooijen

 

Werktijd…

Written by Erwin van Rooijen. Posted in Blogs

Minister Asscher vindt dat de overheid een beetje moet letten op het wel en wee van werknemers. Dat vind ik ook. Minister Asscher vindt als sociaal democraat ook dat de overheid best ver mag gaan in het maken van wet- en regelgeving om werknemers te beschermen tegen de grillen van het kapitalisme. Ben ik ook wel met hem eens. Laten we de ‘Verelendung’ en de marxistische wereldrevolutie van het proletariaat voor zijn. De tijden zijn al grillig genoeg anno 2017.

Waar het gaat om zijn visie op het reguleren van vraag en aanbod (van een toenemend aantal buitenlandse werknemers) op de arbeidsmarkt en de daarbij passende lonen begin ik een beetje te twijfelen. Oprecht en goed bedoeld, daar twijfel ik niet aan, maar een beetje protectionisme sluipt er natuurlijk toch wel in. Moet je als kwetsbare partij mee uitkijken zo vlak voor de verkiezingen.

Wanneer hij ervoor pleit dat de overheid richtlijnen moet gaan uitvaardigen om het werk-gerelateerde e-mailgedrag buiten de ‘reguliere werktijden’ aan banden te leggen, vind ik dat hij volkomen doorschiet in ouderwetse betutteling.

Natuurlijk heb ik als zelfstandig ondernemer makkelijk praten. Ik heb geen ‘nine to five baan’ en bij mij lopen ‘werk- en privétijd’ vaak dwars door elkaar heen. Dat wil ik ook. Zo sta ik in het leven. De invulling van hoe ik mijn werk invul ís mijn manier van leven. Ik houd mij bezig met maatschappelijke vraagstukken en die houden zich nu eenmaal niet aan de prikklok. Mijn opdrachtgevers ook niet. Bovendien verkoop ik als adviseur – zoals een directeur van mij (toen ik nog wel ergens op de loonlijst stond) het ooit zo treffend formuleerde – vooral ‘nachtrust’. Mijn opdrachtgever kan rustig gaan slapen. Ik werk door totdat het goed is. Part of the job. En mijn eigen nachtrust, ook daar zorg ik zelf wel voor. Uiteraard begrijp ik heel goed en respecteer ik het ook dat velen wél hechten aan de grens tussen privé en werk. Daar heeft een ieder ook recht op. Ik begrijp ook heel goed dat dat afhankelijk is van het type werk dat je doet.

Maar als wij (‘de samenleving’, ‘de politiek’, ‘de belangenorganisaties’, ‘de media’, ‘het onderwijs’) – wat mij betreft terecht – voortdurend een beroep doen op onze eigen verantwoordelijkheid, de noodzaak tot flexibiliteit benadrukken, ‘employability’ hoog in het vaandel willen houden, de vanzelfsprekendheid van het ‘levenslange dienstverband’ zien verdwijnen, de mondigheid en waardigheid van álle werknemers als uitgangspunt nemen, dan is het natuurlijk idioot om van overheidswege werkgevers te verplichten het e-mailgedrag buiten ’werktijd’ te reguleren en werknemers het ‘recht’ op e-mailloze uren te geven, in de illusie dat dit ‘stress reducerend’ zal werken.

Zoals gezegd vind ik dat betuttelend, ouderwets en dus in tegenspraak met genoemde trends. Door als overheid op deze wijze werknemers ‘tegen zichzelf in bescherming te nemen’, onderschat je hun mondigheid en weerbaarheid. Dit is – om Marx dan toch nog één keer te citeren – een subtiele vorm van ‘repressieve tolerantie’. Laat werknemers zelf bepalen of ze wel of niet reageren op e-mails die na 17.00 uur ontvangen worden. Daar zijn ze echt groot genoeg voor. Bovendien: wie weet welke kansen je laat liggen als je bepaalde berichten ‘te laat’ leest?

Mocht u willen reageren op deze blog. Mail mij wanneer u wilt (evanrooijen@tienorganisatieadvies.nl). Binnen 24 uur heeft u antwoord. Beloofd.

Erwin van Rooijen

 

Inclusieve arbeidsmarkt een fata morgana?

Written by Peter de Leeuwerk. Posted in Blogs

Daar kan ik kort over zijn. Het antwoord op deze vraag: een volmondig ‘ja’!’. Het is niet meer dan een bezweringsformule om ernstige problemen te bagatelliseren en deze dus niet te hoeven oplossen.

Misschien toch even toelichten. Sinds begin 2015 kennen we de veel besproken Participatiewet, bedoeld om zo veel mogelijk burgers ‘met een afstand tot de arbeidsmarkt’ structureel aan betaald werk te krijgen en te houden. Niet alleen de mensen die voorheen toegang kregen tot de Wet Sociale Werkvoorziening (WsW), maar ook de voormalige zgn. Wajongers en niet te vergeten de grote groep burgers in de bijstand. De verantwoordelijkheid hiervoor werd neergelegd bij de gemeenten, uiteraard met oplegging van een efficiencykorting (in mijn ogen altijd een grove diskwalificatie van de partijen die voorheen verantwoordelijk waren, maar dit terzijde). Op straffe van een dreigend boetesysteem kregen werkgevers de opdracht om mensen ‘met een afstand’ in dienst te nemen, waarmee het probleem zich a.h.w. zelf zou oplossen, daarbij geholpen door deze bezweringsformule van landelijke en lokale politieke bestuurders: ’we hebben nu toch een inclusieve arbeidsmarkt?’.

Ik ga mijn gelijk niet halen door te wijzen naar de resultaten die tot nu toe geboekt zijn (die komen bij lange na niet in de buurt van de doelstellingen), maar door te wijzen op een denkfout. Dat er mensen zijn die bijzondere hulp nodig hebben om aan het werk te komen en te blijven, is van alle tijden en alle plaatsen. Dat kan met geen bezweringsformule worden weggenomen. En het aantal is zo groot dat gecumuleerde ‘liefdadigheid’ van werkgevers absoluut ontoereikend is om hen allemaal te kunnen helpen. Werkgevers hebben uiteindelijk maar één belang: de continuïteit – en dus slagkracht, kwaliteit en efficiency – van hun onderneming of organisatie. Daarbinnen is best wel ruimte om initiatieven te nemen die daaraan niet direct bijdragen, maar dat is per definitie marginaal, letterlijk en figuurlijk. En dan nog: als zij al bereid zijn ‘hun verantwoordelijkheid te nemen’, dan doen zij dat alleen als zij daarbij ‘ontzorgd’ worden.

Nu ligt het voor de hand te stellen: ‘dat zien we dan wel, dan passen we het beleid t.z.t. wel weer aan’. Maar ook dat is een denkfout. In de eerste plaats neemt de – ongewenste – tweedeling van de samenleving toe in plaats van af. Neem alleen al de groep jonge mensen ‘met een afstand’; omdat zij door nieuwe regelgeving de maatschappij geen geld meer kosten, zoals voorheen via Wajong-uitkeringen, verdwijnen zij uit de boeken en wordt hun ‘misparticipatie’ niet meer als een probleem gezien. In de tweede plaats verdampt de expertise die in vele tientallen jaren is opgebouwd bij m.n. de sociale werkbedrijven. Als geen andere partij zijn zij in staat vast te stellen waartoe mensen wèl in staat zijn, concepten te ontwikkelen en uit te voeren die de kloof tussen betrokkenen en werkgevers overbruggen (bijv. via allerlei vormen van detachering en jobcarving) en op een zo efficiënt mogelijke manier te markt te bedienen, niet in de laatste plaats omdat zij in staat zijn werkgevers te ontzorgen. Miskenning van hun toegevoegde waarde betekent vernietiging van menselijk kapitaal, kapitaal dat we nu, straks en altijd hard nodig hebben.

Preken voor eigen parochie. Dat zou mij kunnen worden verweten. Ik ben tenslotte voorzitter van de Raad van Commissarissen van UW, het sociaal werkbedrijf van Utrecht. Het zou vreemd zijn als ik niet zou geloven in de kracht en slagvaardigheid van onze organisatie. Maar ik denk dat er veel sociaal werkbedrijven zijn als UW: een onderneming die onder professioneel management (en toezicht natuurlijk) zich al in een heel vroeg stadium is gaan voorbereiden op de effecten van de Participatiewet. En die zichzelf a.h.w. opnieuw heeft uitgevonden om het gehele spectrum aan mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt te kunnen bedienen en op tal van manieren de verbinding met het werkgeversveld te leggen om – natuurlijk tegen lagere kosten dan voorheen – zo veel mogelijk mensen aan het arbeidsproces te laten deelnemen. Niet enkele tientallen of honderden, maar de vele duizenden uitkeringsgerechtigden die de bestanden vullen van middelgrote en grote gemeenten.

De markt pakt dat echt niet zelf op. Daarop toch wachten is niet alleen zinloos, maar zet ons als samenleving op een nog grotere achterstand. En dan zou ook deze wet, net als de wet Werk en Zekerheid en de wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelatie, precies het tegenovergestelde effect hebben dan ermee was beoogd. Dat is niet alleen jammer, het zou verschrikkelijk zijn.

Peter de Leeuwerk

 

Leren om niet bang te zijn…

Written by Erwin van Rooijen. Posted in Blogs

Ik ga dit jaar met een onrustig gevoel op vakantie. De wereld staat in brand. De ene aanslag volgt op de andere. Het volk wil een dictator, het volk krijgt een dictator (zegt de dictator). Het zijn angstige tijden en niemand weet het antwoord, niemand weet wat we moeten doen, niemand weet wat ons te wachten staat. We zijn als verschrikte konijnen, kijkend in de koplampen van onvoorspelbaar, onvoorstelbaar en ongericht geweld. Maar toch moeten we verder. We gaan ook verder. Maar hoe?

De ‘sleutel’ ligt altijd bij het onderwijs, zo wordt vaak gezegd en dat is ook zo. Het onderwijs heeft de afgelopen jaren grote maatschappelijke thema’s dan ook voortvarend ‘opgepakt’.

Als adviseur in ‘onderwijsland’ kom ik op veel verschillende scholen en ik zie dat er in vele klassen (in het basisonderwijs, van VMBO tot en met Gymnasium en ook in het MBO, HBO en WO) uitgebreid gediscussieerd wordt over belangrijke issues, over racisme en discriminatie, over intolerantie, over radicalisme, over de multiculturele samenleving, over de vluchtelingenproblematiek en over nog veel meer. Dat is goed en daarmee moeten we ook doorgaan. Daarmee houden we onze democratie vitaal.

We weten ook steeds beter welke jongeren we wat moeten leren en wat niet. Leerlingen die graag ‘met hun handen werken’ moeten we niet te veel lastigvallen met theoretische, algemeen vormende vakken. Excellente en hoogbegaafde leerlingen moeten van onze excellente en hoogbegaafde staatssecretaris nog steeds gestimuleerd worden tot excellente prestaties en niet worden afgeremd door minder getalenteerde leeftijdsgenoten. Nog steeds moeten meer meisjes voor techniek kiezen.

En álle leerlingen moeten iets mee krijgen van onze normen en waarden, van onze vaderlandse geschiedenis (de canon!) en natuurlijk van ‘burgerschap’. De ietwat hysterische hype rond ‘ondernemerschap’ lijkt enigszins op z’n retour, maar ook daar komen we nooit meer van af.

Maar welk antwoord gaat het onderwijs formuleren op de nieuwe werkelijkheid waarin we terecht gekomen zijn? Hoe gaan we onze kinderen leren om te leven in een wereld met een ‘structureel, substantieel dreigingsniveau’. Hoe gaan we onze kinderen leren om niet te bang te zijn, terwijl er misschien meer redenen dan ooit zijn om wel bang te zijn? Hoe gaan we uit deze paradox komen? Komt er straks een generatie aan ‘die niet beter weet’ dan dat het op elke hoek van de straat, in elk winkelcentrum, op elk station of vliegveld mis kan gaan en welk cynisme, welk wereldbeeld gaat dat met zich mee brengen? Wat voor samenleving wordt dat?

We kunnen alleen verder als we niet bang zijn en dat moeten we gaan ‘leren’. Dat moeten we elkaar leren, dat moeten we onze kinderen leren. Dit lijkt mij de grote uitdaging voor het onderwijs de komende jaren: leren om niet te bang zijn.

Ik weet niet hoe, ik heb het antwoord niet, maar ik ga er in de vakantie wel over nadenken.

Erwin van Rooijen

 

Kansrijk onderwijs…

Written by Erwin van Rooijen. Posted in Blogs

Kinderen van hoger opgeleide ouders krijgen meer kansen in het onderwijs en stromen door naar hogere opleidingsniveaus dan kinderen van lager opgeleide ouders, zo rapporteert de Inspectie van het Onderwijs in ‘De Staat van het Onderwijs’. Nadat het belang van de citotoets is teruggeschroefd en ‘het schooladvies’ zwaarder is gaan wegen, blijken vooral kinderen van hoger opgeleide ouders hiervan te profiteren. Assertief en verbaal begaafd als zij (zouden) zijn ‘praten zij het schooladvies omhoog’. Het is de bekende pendelbeweging: draagt het onderwijs bij aan emancipatie of juist aan de reproductie van sociale ongelijkheid? Waar kunnen we bijsturen?

De media doen met groeiende verbazing en verontwaardiging verslag van deze bevinding. Alsof er een nieuwe natuurwet aan het licht is gekomen, terwijl dit fenomeen al bekend is sinds de grote socioloog Bourdieu in de jaren zeventig de begrippen sociaal en cultureel kapitaal introduceerde. Ook de onlangs overleden onderwijssocioloog Jaap Dronkers heeft hierover intelligente dingen gezegd. Kortom: de verbazing verbaast mij. Dit weten we toch al lang?

Maar wat mij echt stoort in de maatschappelijke discussie is de dominantie van het rendementsdenken – ja, daar is ie weer! – in termen van verticaal geduide ‘niveauverschillen’: havo is ‘hoger’ dan vmbo, vwo is ‘hoger’ dan havo etc. Ik heb het er op deze plek eerder over gehad: we denken uiteindelijk toch weer altijd in ‘verticale lijnen’. Dat paradigma is hardnekkig en schadelijk.

Het is op zijn zachtst gezegd een ietwat hypocriete ambivalentie, dat er enerzijds (ook door het Ministerie van OCW) voortdurend en terecht wordt geroepen dat het vmbo en het mbo moeten emanciperen, impulsen moeten krijgen, trots moeten zijn, want Nederland heeft behoefte aan ‘vakmensen’, terwijl anderzijds in de ‘ongelijke kansen discussie’ toch voortdurend wordt gesuggereerd (ook door OCW) dat het ‘jammer’ en ‘oneerlijk’ is dat kinderen ‘blijven steken’ op mbo-niveau.

Dat is slecht voor het imago van het vmbo en het mbo. Ook is het stigmatiserend en demotiverend voor de vele en vele kinderen en studenten, die gewoon heel goed bezig zijn op het vmbo en mbo en straks een nuttige bijdrage gaan leveren aan onze arbeidsmarkt en samenleving. Bovendien kan het een knauw geven aan de identiteit en het zelfbeeld van leerlingen: “Tja, wie voor een dubbeltje geboren wordt …”

Kansrijk onderwijs is onderwijs dat niet voortdurend gedicteerd en opgejaagd wordt door de ‘drang naar boven’, naar ‘het hoogste niveau’. Daarmee zeg ik niet dat je niet voortdurend moet proberen om het beste uit jezelf te halen, maar dat loopt niet altijd langs de verticale lijn ‘omhoog’. En natuurlijk moeten we iedere generatie blijven aansporen om de talenten optimaal te ontplooien. Het is een paradox, maar daartoe draagt de huidige discussie over ongelijke kansen niet bij.

Erwin van Rooijen

 

Het product onderwijs in 2016…

Written by Erwin van Rooijen. Posted in Blogs

Ze zijn er elk jaar weer, de mijmeringen onder de kerstboom. Elk jaar verbaas ik mij er weer over, dat we het onszelf en elkaar steeds weer aandoen. Alle drukte en stress stapelen zich op in december en we slepen ons vermoeid en vaak ietwat gammel en snotterig naar de feestdagen. Waarom?

Waarom plannen we ons werk niet gewoon beter? Wat is er altijd zo ‘magisch’ aan het einde van het jaar? Op 1 januari loopt de tijd gewoon, in hetzelfde, meedogenloos lineaire ritme door. De tijd trekt zich niks aan van kalenders, agenda’s, begrotingen en jaarplannen. Wij hebben van de tijd een ‘afspraak’ gemaakt, een afspraak die ons soms behoorlijk dwars zit. Tijd is relatief, zo weten we sinds Einstein. Maar goed, dat zijn dus mijmeringen. Ik heb mezelf ook gewoon een deadline gesteld: deze blog moet op tijd af, voor de Kerst.

Over tijd en het streven naar efficiëntie gesproken…
Er komen experimenten in het hoger onderwijs waarbij studenten collegegeld gaan betalen per vak. Het idee daarachter is dat dat goed is voor hun brede ontwikkeling, dat het bijdraagt aan hun flexibiliteit en mogelijkheden tot zelfontplooiing. Het past ook in het paradigma van een ‘leven lang leren’ en in de trend van ‘vraaggestuurde bekostiging’. Er komen pilots en experimenten met ‘vouchers’, waarmee studenten op de ‘onderwijsmarkt’ hun ‘modules op maat’ bij elkaar kunnen ‘kopen’, bij publieke en/of private aanbieders, ‘level playing field’, u weet wel.

Wat vind ik daar nou van…?
Het mooie van mijmeringen is dat ze niet tot een conclusie hoeven te komen, dat ze niet hoeven te leiden tot een heldere en stevige opinie. Dus wat vind ik er nou van?

Natuurlijk ben ik sterk voor flexibiliteit en ook voor een ‘leven lang leren’. Alles is leren, binnen de school en buiten de school. Dat moet ook zeker gestimuleerd worden. Daarover heb ik op deze plek dit jaar eerder geschreven en gemijmerd, net als over ‘rendementsdenken’.

En daar begint mijn twijfel…
Is het nou wenselijk dat onderwijs steeds meer een ‘product’ wordt, dat je als calculerende burger kunt ‘kopen’. Is dat geen merkwaardige paradox wanneer het gaat om de toch idealistische doelstelling die eronder ligt: zelfontplooiing en een leven lang leren? Kan dat alleen maar door een voortdurende ‘kosten-baten analyse’ en een sturingsmodel dat daarop gebaseerd is? Hoe ver willen we gaan met de ‘individualisering’ van de ‘onderwijsconsument’? Schieten we daarin niet te ver door? Werkt dit nou een (verdere) tweedeling in de hand of leidt dit juist tot gelijke kansen en emancipatie? Ik ga er onder de kerstboom nog eens goed over nadenken en ga hierover in 2016 weer graag met u allen in gesprek.

Mooie feestdagen en een gezond 2016 toegewenst!

Erwin van Rooijen

 

2032…

Written by Erwin van Rooijen. Posted in Blogs

Toch nog even over ‘2032’, #Onderwijs 2032 om precies te zijn. Op initiatief van staatssecretaris Sander Dekker startte het Platform Onderwijs 2032 op 1 februari 2015 een maatschappelijke dialoog over het onderwijs van de toekomst. Het jaar 2032 is als stip op de horizon gekozen, omdat de meeste kinderen die nu geboren worden ongeveer in dat jaar de arbeidsmarkt zullen betreden.

Heel Nederland mocht meepraten, bloggen, twitteren en facebooken. Op 1 oktober jongstleden presenteerde Paul Schnabel, voorzitter van de commissie, de hoofdlijnen van het advies. Bij Nieuwsuur kwam hij het een en ander nader toelichten.

Ik liep al een tijdje rond met het idee om een leuk, kritisch, mild ironisch stukje over Onderwijs 2032 te schrijven. Niet omdat ik het allemaal onzin vind, niet om het debat te ridiculiseren en zeker niet omdat ik de commissie en zijn voorzitter niet hoog zou achten, maar wel om de redenen die Aleid Truijens vorige week zaterdag in haar column in de Volkskrant zo treffend beschreef. Zij was mij dus voor. Ere wie ere toekomt.

Kern van haar betoog was dat er toch wel heel veel ronkende en obligate retoriek in het hele verhaal zit: de nieuwsgierigheid en creativiteit van leerlingen moeten geprikkeld worden, leerlingen moeten de kansen van de digitale wereld leren benutten, het onderwijs moet maatwerk bieden en relevant zijn, taal- en rekenvaardigheid zijn van groot belang enzovoort. Tja, daar kunnen we het niet mee oneens zijn, net zoals we allemaal voor de wereldvrede zijn. Dat vraagt dus inderdaad om enig ironisch tegengas, maar dat is dus al volop en met goede argumenten gegeven. En ja, je moet die oneliners in hun context lezen, ik weet het.

Ik wil hier nog een ander punt maken. Waarom trappen wij als samenleving toch steeds weer in de valkuil van het idee dat wij meer dan 10 jaar vooruit kunnen kijken? Waarom denken wij steeds dat wij de ongewisse toekomst een beetje naar voren kunnen halen en daarmee een beetje minder onvoorspelbaar kunnen maken. De geschiedenis leert ons keer op keer, dat dit een illusie is. Zeker alle stelsel- en paradigmawijzigingen die het onderwijsveld de afgelopen jaren als een pendule heeft zien langskomen en heeft mogen incasseren, leren dat dit een illusie is. Veel van wat er nu anno 2015 speelt, was in 2000 ondenkbaar en onvoorspelbaar. De samenleving is maar een klein beetje ‘maakbaar’ en dat is maar goed ook.

Vind ik dan dat het onderwijs zich niet op de toekomst moet richten? Natuurlijk vind ik dat wel. Het onderwijs leidt op voor de wereld en de arbeidsmarkt van morgen. Focus op de toekomst, uiteraard.

Geloof ik dan niet in de spreekwoordelijke ‘stip op de horizon’? Ook daarin geloof ik wel degelijk en bij verschillende ‘hei-sessies’ en andere bijeenkomsten pas ik deze methode zelf ook graag en met enige regelmaat toe. Aan creatieve werkvormen geen gebrek. Altijd goed als een organisatie of een team eens met elkaar de tijd neemt om zich af te vragen: ‘hoe willen wij over vijf jaar zijn en gekend worden?’ Onlangs heb ik zo’n sessie met mijn eigen collega’s van Tien organisatieadvies gedaan. Dat was leuk, gezellig, goed en inspirerend. Maar dat leidt niet meteen tot een actieagenda en dat hoeft ook niet. Een goed gevoel is ook een belangrijke opbrengst.

Ik ben een voorstander van groot en breed denken. Het kan mij niet visionair en idealistisch genoeg zijn, zeker niet als we het gesprek in het café voeren.

Maar wanneer we serieus de ambitie hebben om via ‘stippen op de horizon’ tot concrete acties, projecten, programma’s, stelselwijzigingen en nog veel meer te komen, zou ik willen bepleiten om ‘het klein te houden’.

Ik heb op deze plek al vaker geschreven over de vele mooie opdrachten die ik mag uitvoeren, waarbij ‘onderwijs en bedrijfsleven’ met elkaar in verbinding worden gebracht. Daar zitten vele voorbeelden tussen van mooie toekomstbespiegelingen en concrete samenwerking op korte termijn en op kleine schaal. Ik vind het mooi en dankbaar werk om daar als adviseur een bijdrage aan te kunnen leveren: maatwerk en relevantie.

Daarbij word ik gedreven door maatschappelijke betrokkenheid, ambitie en nieuwsgierigheid: ik ben altijd benieuwd naar de dag van morgen, mijn agenda zit de komende weken best vol. Maar hoe mijn agenda er in 2032 uitziet? Ik heb geen idee, gelukkig maar.

Erwin van Rooijen