Inclusieve arbeidsmarkt een fata morgana?

Written by Peter de Leeuwerk. Posted in Blogs

Daar kan ik kort over zijn. Het antwoord op deze vraag: een volmondig ‘ja’!’. Het is niet meer dan een bezweringsformule om ernstige problemen te bagatelliseren en deze dus niet te hoeven oplossen.

Misschien toch even toelichten. Sinds begin 2015 kennen we de veel besproken Participatiewet, bedoeld om zo veel mogelijk burgers ‘met een afstand tot de arbeidsmarkt’ structureel aan betaald werk te krijgen en te houden. Niet alleen de mensen die voorheen toegang kregen tot de Wet Sociale Werkvoorziening (WsW), maar ook de voormalige zgn. Wajongers en niet te vergeten de grote groep burgers in de bijstand. De verantwoordelijkheid hiervoor werd neergelegd bij de gemeenten, uiteraard met oplegging van een efficiencykorting (in mijn ogen altijd een grove diskwalificatie van de partijen die voorheen verantwoordelijk waren, maar dit terzijde). Op straffe van een dreigend boetesysteem kregen werkgevers de opdracht om mensen ‘met een afstand’ in dienst te nemen, waarmee het probleem zich a.h.w. zelf zou oplossen, daarbij geholpen door deze bezweringsformule van landelijke en lokale politieke bestuurders: ’we hebben nu toch een inclusieve arbeidsmarkt?’.

Ik ga mijn gelijk niet halen door te wijzen naar de resultaten die tot nu toe geboekt zijn (die komen bij lange na niet in de buurt van de doelstellingen), maar door te wijzen op een denkfout. Dat er mensen zijn die bijzondere hulp nodig hebben om aan het werk te komen en te blijven, is van alle tijden en alle plaatsen. Dat kan met geen bezweringsformule worden weggenomen. En het aantal is zo groot dat gecumuleerde ‘liefdadigheid’ van werkgevers absoluut ontoereikend is om hen allemaal te kunnen helpen. Werkgevers hebben uiteindelijk maar één belang: de continuïteit – en dus slagkracht, kwaliteit en efficiency – van hun onderneming of organisatie. Daarbinnen is best wel ruimte om initiatieven te nemen die daaraan niet direct bijdragen, maar dat is per definitie marginaal, letterlijk en figuurlijk. En dan nog: als zij al bereid zijn ‘hun verantwoordelijkheid te nemen’, dan doen zij dat alleen als zij daarbij ‘ontzorgd’ worden.

Nu ligt het voor de hand te stellen: ‘dat zien we dan wel, dan passen we het beleid t.z.t. wel weer aan’. Maar ook dat is een denkfout. In de eerste plaats neemt de – ongewenste – tweedeling van de samenleving toe in plaats van af. Neem alleen al de groep jonge mensen ‘met een afstand’; omdat zij door nieuwe regelgeving de maatschappij geen geld meer kosten, zoals voorheen via Wajong-uitkeringen, verdwijnen zij uit de boeken en wordt hun ‘misparticipatie’ niet meer als een probleem gezien. In de tweede plaats verdampt de expertise die in vele tientallen jaren is opgebouwd bij m.n. de sociale werkbedrijven. Als geen andere partij zijn zij in staat vast te stellen waartoe mensen wèl in staat zijn, concepten te ontwikkelen en uit te voeren die de kloof tussen betrokkenen en werkgevers overbruggen (bijv. via allerlei vormen van detachering en jobcarving) en op een zo efficiënt mogelijke manier te markt te bedienen, niet in de laatste plaats omdat zij in staat zijn werkgevers te ontzorgen. Miskenning van hun toegevoegde waarde betekent vernietiging van menselijk kapitaal, kapitaal dat we nu, straks en altijd hard nodig hebben.

Preken voor eigen parochie. Dat zou mij kunnen worden verweten. Ik ben tenslotte voorzitter van de Raad van Commissarissen van UW, het sociaal werkbedrijf van Utrecht. Het zou vreemd zijn als ik niet zou geloven in de kracht en slagvaardigheid van onze organisatie. Maar ik denk dat er veel sociaal werkbedrijven zijn als UW: een onderneming die onder professioneel management (en toezicht natuurlijk) zich al in een heel vroeg stadium is gaan voorbereiden op de effecten van de Participatiewet. En die zichzelf a.h.w. opnieuw heeft uitgevonden om het gehele spectrum aan mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt te kunnen bedienen en op tal van manieren de verbinding met het werkgeversveld te leggen om – natuurlijk tegen lagere kosten dan voorheen – zo veel mogelijk mensen aan het arbeidsproces te laten deelnemen. Niet enkele tientallen of honderden, maar de vele duizenden uitkeringsgerechtigden die de bestanden vullen van middelgrote en grote gemeenten.

De markt pakt dat echt niet zelf op. Daarop toch wachten is niet alleen zinloos, maar zet ons als samenleving op een nog grotere achterstand. En dan zou ook deze wet, net als de wet Werk en Zekerheid en de wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelatie, precies het tegenovergestelde effect hebben dan ermee was beoogd. Dat is niet alleen jammer, het zou verschrikkelijk zijn.

Peter de Leeuwerk

 

Leren om niet bang te zijn…

Written by Erwin van Rooijen. Posted in Blogs

Ik ga dit jaar met een onrustig gevoel op vakantie. De wereld staat in brand. De ene aanslag volgt op de andere. Het volk wil een dictator, het volk krijgt een dictator (zegt de dictator). Het zijn angstige tijden en niemand weet het antwoord, niemand weet wat we moeten doen, niemand weet wat ons te wachten staat. We zijn als verschrikte konijnen, kijkend in de koplampen van onvoorspelbaar, onvoorstelbaar en ongericht geweld. Maar toch moeten we verder. We gaan ook verder. Maar hoe?

De ‘sleutel’ ligt altijd bij het onderwijs, zo wordt vaak gezegd en dat is ook zo. Het onderwijs heeft de afgelopen jaren grote maatschappelijke thema’s dan ook voortvarend ‘opgepakt’.

Als adviseur in ‘onderwijsland’ kom ik op veel verschillende scholen en ik zie dat er in vele klassen (in het basisonderwijs, van VMBO tot en met Gymnasium en ook in het MBO, HBO en WO) uitgebreid gediscussieerd wordt over belangrijke issues, over racisme en discriminatie, over intolerantie, over radicalisme, over de multiculturele samenleving, over de vluchtelingenproblematiek en over nog veel meer. Dat is goed en daarmee moeten we ook doorgaan. Daarmee houden we onze democratie vitaal.

We weten ook steeds beter welke jongeren we wat moeten leren en wat niet. Leerlingen die graag ‘met hun handen werken’ moeten we niet te veel lastigvallen met theoretische, algemeen vormende vakken. Excellente en hoogbegaafde leerlingen moeten van onze excellente en hoogbegaafde staatssecretaris nog steeds gestimuleerd worden tot excellente prestaties en niet worden afgeremd door minder getalenteerde leeftijdsgenoten. Nog steeds moeten meer meisjes voor techniek kiezen.

En álle leerlingen moeten iets mee krijgen van onze normen en waarden, van onze vaderlandse geschiedenis (de canon!) en natuurlijk van ‘burgerschap’. De ietwat hysterische hype rond ‘ondernemerschap’ lijkt enigszins op z’n retour, maar ook daar komen we nooit meer van af.

Maar welk antwoord gaat het onderwijs formuleren op de nieuwe werkelijkheid waarin we terecht gekomen zijn? Hoe gaan we onze kinderen leren om te leven in een wereld met een ‘structureel, substantieel dreigingsniveau’. Hoe gaan we onze kinderen leren om niet te bang te zijn, terwijl er misschien meer redenen dan ooit zijn om wel bang te zijn? Hoe gaan we uit deze paradox komen? Komt er straks een generatie aan ‘die niet beter weet’ dan dat het op elke hoek van de straat, in elk winkelcentrum, op elk station of vliegveld mis kan gaan en welk cynisme, welk wereldbeeld gaat dat met zich mee brengen? Wat voor samenleving wordt dat?

We kunnen alleen verder als we niet bang zijn en dat moeten we gaan ‘leren’. Dat moeten we elkaar leren, dat moeten we onze kinderen leren. Dit lijkt mij de grote uitdaging voor het onderwijs de komende jaren: leren om niet te bang zijn.

Ik weet niet hoe, ik heb het antwoord niet, maar ik ga er in de vakantie wel over nadenken.

Erwin van Rooijen

 

Kansrijk onderwijs…

Written by Erwin van Rooijen. Posted in Blogs

Kinderen van hoger opgeleide ouders krijgen meer kansen in het onderwijs en stromen door naar hogere opleidingsniveaus dan kinderen van lager opgeleide ouders, zo rapporteert de Inspectie van het Onderwijs in ‘De Staat van het Onderwijs’. Nadat het belang van de citotoets is teruggeschroefd en ‘het schooladvies’ zwaarder is gaan wegen, blijken vooral kinderen van hoger opgeleide ouders hiervan te profiteren. Assertief en verbaal begaafd als zij (zouden) zijn ‘praten zij het schooladvies omhoog’. Het is de bekende pendelbeweging: draagt het onderwijs bij aan emancipatie of juist aan de reproductie van sociale ongelijkheid? Waar kunnen we bijsturen?

De media doen met groeiende verbazing en verontwaardiging verslag van deze bevinding. Alsof er een nieuwe natuurwet aan het licht is gekomen, terwijl dit fenomeen al bekend is sinds de grote socioloog Bourdieu in de jaren zeventig de begrippen sociaal en cultureel kapitaal introduceerde. Ook de onlangs overleden onderwijssocioloog Jaap Dronkers heeft hierover intelligente dingen gezegd. Kortom: de verbazing verbaast mij. Dit weten we toch al lang?

Maar wat mij echt stoort in de maatschappelijke discussie is de dominantie van het rendementsdenken – ja, daar is ie weer! – in termen van verticaal geduide ‘niveauverschillen’: havo is ‘hoger’ dan vmbo, vwo is ‘hoger’ dan havo etc. Ik heb het er op deze plek eerder over gehad: we denken uiteindelijk toch weer altijd in ‘verticale lijnen’. Dat paradigma is hardnekkig en schadelijk.

Het is op zijn zachtst gezegd een ietwat hypocriete ambivalentie, dat er enerzijds (ook door het Ministerie van OCW) voortdurend en terecht wordt geroepen dat het vmbo en het mbo moeten emanciperen, impulsen moeten krijgen, trots moeten zijn, want Nederland heeft behoefte aan ‘vakmensen’, terwijl anderzijds in de ‘ongelijke kansen discussie’ toch voortdurend wordt gesuggereerd (ook door OCW) dat het ‘jammer’ en ‘oneerlijk’ is dat kinderen ‘blijven steken’ op mbo-niveau.

Dat is slecht voor het imago van het vmbo en het mbo. Ook is het stigmatiserend en demotiverend voor de vele en vele kinderen en studenten, die gewoon heel goed bezig zijn op het vmbo en mbo en straks een nuttige bijdrage gaan leveren aan onze arbeidsmarkt en samenleving. Bovendien kan het een knauw geven aan de identiteit en het zelfbeeld van leerlingen: “Tja, wie voor een dubbeltje geboren wordt …”

Kansrijk onderwijs is onderwijs dat niet voortdurend gedicteerd en opgejaagd wordt door de ‘drang naar boven’, naar ‘het hoogste niveau’. Daarmee zeg ik niet dat je niet voortdurend moet proberen om het beste uit jezelf te halen, maar dat loopt niet altijd langs de verticale lijn ‘omhoog’. En natuurlijk moeten we iedere generatie blijven aansporen om de talenten optimaal te ontplooien. Het is een paradox, maar daartoe draagt de huidige discussie over ongelijke kansen niet bij.

Erwin van Rooijen

 

Het product onderwijs in 2016…

Written by Erwin van Rooijen. Posted in Blogs

Ze zijn er elk jaar weer, de mijmeringen onder de kerstboom. Elk jaar verbaas ik mij er weer over, dat we het onszelf en elkaar steeds weer aandoen. Alle drukte en stress stapelen zich op in december en we slepen ons vermoeid en vaak ietwat gammel en snotterig naar de feestdagen. Waarom?

Waarom plannen we ons werk niet gewoon beter? Wat is er altijd zo ‘magisch’ aan het einde van het jaar? Op 1 januari loopt de tijd gewoon, in hetzelfde, meedogenloos lineaire ritme door. De tijd trekt zich niks aan van kalenders, agenda’s, begrotingen en jaarplannen. Wij hebben van de tijd een ‘afspraak’ gemaakt, een afspraak die ons soms behoorlijk dwars zit. Tijd is relatief, zo weten we sinds Einstein. Maar goed, dat zijn dus mijmeringen. Ik heb mezelf ook gewoon een deadline gesteld: deze blog moet op tijd af, voor de Kerst.

Over tijd en het streven naar efficiëntie gesproken…
Er komen experimenten in het hoger onderwijs waarbij studenten collegegeld gaan betalen per vak. Het idee daarachter is dat dat goed is voor hun brede ontwikkeling, dat het bijdraagt aan hun flexibiliteit en mogelijkheden tot zelfontplooiing. Het past ook in het paradigma van een ‘leven lang leren’ en in de trend van ‘vraaggestuurde bekostiging’. Er komen pilots en experimenten met ‘vouchers’, waarmee studenten op de ‘onderwijsmarkt’ hun ‘modules op maat’ bij elkaar kunnen ‘kopen’, bij publieke en/of private aanbieders, ‘level playing field’, u weet wel.

Wat vind ik daar nou van…?
Het mooie van mijmeringen is dat ze niet tot een conclusie hoeven te komen, dat ze niet hoeven te leiden tot een heldere en stevige opinie. Dus wat vind ik er nou van?

Natuurlijk ben ik sterk voor flexibiliteit en ook voor een ‘leven lang leren’. Alles is leren, binnen de school en buiten de school. Dat moet ook zeker gestimuleerd worden. Daarover heb ik op deze plek dit jaar eerder geschreven en gemijmerd, net als over ‘rendementsdenken’.

En daar begint mijn twijfel…
Is het nou wenselijk dat onderwijs steeds meer een ‘product’ wordt, dat je als calculerende burger kunt ‘kopen’. Is dat geen merkwaardige paradox wanneer het gaat om de toch idealistische doelstelling die eronder ligt: zelfontplooiing en een leven lang leren? Kan dat alleen maar door een voortdurende ‘kosten-baten analyse’ en een sturingsmodel dat daarop gebaseerd is? Hoe ver willen we gaan met de ‘individualisering’ van de ‘onderwijsconsument’? Schieten we daarin niet te ver door? Werkt dit nou een (verdere) tweedeling in de hand of leidt dit juist tot gelijke kansen en emancipatie? Ik ga er onder de kerstboom nog eens goed over nadenken en ga hierover in 2016 weer graag met u allen in gesprek.

Mooie feestdagen en een gezond 2016 toegewenst!

Erwin van Rooijen

 

2032…

Written by Erwin van Rooijen. Posted in Blogs

Toch nog even over ‘2032’, #Onderwijs 2032 om precies te zijn. Op initiatief van staatssecretaris Sander Dekker startte het Platform Onderwijs 2032 op 1 februari 2015 een maatschappelijke dialoog over het onderwijs van de toekomst. Het jaar 2032 is als stip op de horizon gekozen, omdat de meeste kinderen die nu geboren worden ongeveer in dat jaar de arbeidsmarkt zullen betreden.

Heel Nederland mocht meepraten, bloggen, twitteren en facebooken. Op 1 oktober jongstleden presenteerde Paul Schnabel, voorzitter van de commissie, de hoofdlijnen van het advies. Bij Nieuwsuur kwam hij het een en ander nader toelichten.

Ik liep al een tijdje rond met het idee om een leuk, kritisch, mild ironisch stukje over Onderwijs 2032 te schrijven. Niet omdat ik het allemaal onzin vind, niet om het debat te ridiculiseren en zeker niet omdat ik de commissie en zijn voorzitter niet hoog zou achten, maar wel om de redenen die Aleid Truijens vorige week zaterdag in haar column in de Volkskrant zo treffend beschreef. Zij was mij dus voor. Ere wie ere toekomt.

Kern van haar betoog was dat er toch wel heel veel ronkende en obligate retoriek in het hele verhaal zit: de nieuwsgierigheid en creativiteit van leerlingen moeten geprikkeld worden, leerlingen moeten de kansen van de digitale wereld leren benutten, het onderwijs moet maatwerk bieden en relevant zijn, taal- en rekenvaardigheid zijn van groot belang enzovoort. Tja, daar kunnen we het niet mee oneens zijn, net zoals we allemaal voor de wereldvrede zijn. Dat vraagt dus inderdaad om enig ironisch tegengas, maar dat is dus al volop en met goede argumenten gegeven. En ja, je moet die oneliners in hun context lezen, ik weet het.

Ik wil hier nog een ander punt maken. Waarom trappen wij als samenleving toch steeds weer in de valkuil van het idee dat wij meer dan 10 jaar vooruit kunnen kijken? Waarom denken wij steeds dat wij de ongewisse toekomst een beetje naar voren kunnen halen en daarmee een beetje minder onvoorspelbaar kunnen maken. De geschiedenis leert ons keer op keer, dat dit een illusie is. Zeker alle stelsel- en paradigmawijzigingen die het onderwijsveld de afgelopen jaren als een pendule heeft zien langskomen en heeft mogen incasseren, leren dat dit een illusie is. Veel van wat er nu anno 2015 speelt, was in 2000 ondenkbaar en onvoorspelbaar. De samenleving is maar een klein beetje ‘maakbaar’ en dat is maar goed ook.

Vind ik dan dat het onderwijs zich niet op de toekomst moet richten? Natuurlijk vind ik dat wel. Het onderwijs leidt op voor de wereld en de arbeidsmarkt van morgen. Focus op de toekomst, uiteraard.

Geloof ik dan niet in de spreekwoordelijke ‘stip op de horizon’? Ook daarin geloof ik wel degelijk en bij verschillende ‘hei-sessies’ en andere bijeenkomsten pas ik deze methode zelf ook graag en met enige regelmaat toe. Aan creatieve werkvormen geen gebrek. Altijd goed als een organisatie of een team eens met elkaar de tijd neemt om zich af te vragen: ‘hoe willen wij over vijf jaar zijn en gekend worden?’ Onlangs heb ik zo’n sessie met mijn eigen collega’s van Tien organisatieadvies gedaan. Dat was leuk, gezellig, goed en inspirerend. Maar dat leidt niet meteen tot een actieagenda en dat hoeft ook niet. Een goed gevoel is ook een belangrijke opbrengst.

Ik ben een voorstander van groot en breed denken. Het kan mij niet visionair en idealistisch genoeg zijn, zeker niet als we het gesprek in het café voeren.

Maar wanneer we serieus de ambitie hebben om via ‘stippen op de horizon’ tot concrete acties, projecten, programma’s, stelselwijzigingen en nog veel meer te komen, zou ik willen bepleiten om ‘het klein te houden’.

Ik heb op deze plek al vaker geschreven over de vele mooie opdrachten die ik mag uitvoeren, waarbij ‘onderwijs en bedrijfsleven’ met elkaar in verbinding worden gebracht. Daar zitten vele voorbeelden tussen van mooie toekomstbespiegelingen en concrete samenwerking op korte termijn en op kleine schaal. Ik vind het mooi en dankbaar werk om daar als adviseur een bijdrage aan te kunnen leveren: maatwerk en relevantie.

Daarbij word ik gedreven door maatschappelijke betrokkenheid, ambitie en nieuwsgierigheid: ik ben altijd benieuwd naar de dag van morgen, mijn agenda zit de komende weken best vol. Maar hoe mijn agenda er in 2032 uitziet? Ik heb geen idee, gelukkig maar.

Erwin van Rooijen

 

Opmaat tot mijn nieuwe boek…

Written by Peter de Leeuwerk. Posted in Blogs

Ik denk dat ik binnenkort weer een boek ga schrijven. Niet omdat ik daar tijd voor heb of omdat ik denk dat iemand het zou willen lezen, maar omdat mijn werk mij in de meest uiteenlopende omgevingen brengt en ik wil voorkomen dat mijn ervaringen vervliegen. Op dit moment ben ik interim-directeur van Het Gelders Orkest, een van ’s lands meest vooraanstaande symfonieorkesten. Het is geen geheim dat het Rijk zwaar heeft bezuinigd op de cultuursector. Zo is de rijksbijdrage voor symfonieorkesten zo goed als gehalveerd, uiteraard met ingrijpende gevolgen voor het kloppend hart van een orkestbedrijf, de musici. Het voert nu te ver om in detail te treden, maar neem van mij aan dat menigeen het bijltje er bij zou hebben neergegooid. Zo niet de musicus. Deze week was ik bij een orkestrepetitie, tussen de puinhopen en het opwaaiende stof van Musis in renovatie. Er klonk gemopper en gemor, maar op het moment dat de dirigent zijn armen ophief voor de eerste maten van Das Lied der Erde van Mahler was er plotseling optimale concentratie en aandacht, om een seconde later te worden gevolgd door de mooiste muziek van de wereld, helemaal voor mij alleen in een verder lege zaal. Wat ik zag was ongeëvenaarde toewijding, passie, beroepseer. Wat zouden veel organisaties daar nog veel van kunnen leren. Zoals andere organisaties weer veel kunnen leren van de tot in perfectie doorgevoerde markt- en resultaatgerichtheid van PCI (dealerbedrijf van printers), van de wendbaarheid van UW (Sociaal Werkbedrijf van gemeente Utrecht), van de overlevingskracht van een in een sterk krimpende markt opererende Hoekstra Krantendruk, van de innovatiekracht van veeverbeteraar CRV, van het hoge inhoudelijke kennisniveau van Waterschap Rijn&IJssel, van de wereldveroverende technologische kracht van Machinefabriek Houdijk, van de toewijding aan studenten van de docenten van Hogeschool Arnhem en Nijmegen, van het vermogen om veelbelovende nieuwe businessmodellen te traceren en tot wasdom te laten komen van Newion Investments, van de durf van de gemeente Delft om het ondernemerschap van haar sociaal werkbedrijf Werkse! echt ruimte te geven. En dan kan ik nog wel even doorgaan…

Wat een prachtig vak hebben wij toch, denk ik terwijl ik dit opschrijf. Dat wij in zo veel keukens mogen kijken. En wat een eer dat wij bij deze – en vele andere – organisaties een kleine bijdrage mogen leveren aan hun ontwikkeling. En wat bijzonder dat wij in staat worden gesteld om suggesties aan te dragen om de minder ontwikkelde competenties van organisaties te versterken. We doen dan ook niets liever. Maar er komt een moment dat ik het ga opschrijven. Met deze blog heb ik daarvoor het fundament gelegd.

Peter de Leeuwerk

Recreatief leren…

Written by Erwin van Rooijen. Posted in Blogs

Ik vind het altijd mooi en ietwat theatraal als de Tweede Kamer wordt teruggeroepen van het ‘zomerreces’ om te debatteren over urgente kwesties. Onlangs gebeurde dat weer in het kader van de discussie over Griekenland. Ik stel me dan voor dat Alexander Pechtold of Sybrand Buma (of wie u maar wilt) in korte broek zittend op een mediterraan terrasje zijn vrouw veelbetekenend en doodmoe aankijkt en draaiend met de ogen machteloos in de lucht wappert met zijn mobiele telefoon om de onheilstijding te onderstrepen: terug naar huis, einde vakantie.

Ik ga over een paar dagen op vakantie en ik weet zeker dat ik niet word teruggeroepen. Ik ga ook lekker heel ver weg, dus in het geval van urgente zaken ben ik toch niet op tijd terug. Urgente zaken vragen immers om een snelle oplossing en zijn dus per definitie kortdurend. Nee, mij zie je de komende vier weken niet terug. Bovendien neem ik mijn werk altijd mee op vakantie. Daarmee bedoel ik niet mijn laptop (neem ik echt niet mee), te lezen stukken en/of vakliteratuur (idem), ik ga ook niet ‘zakelijk’ zitten bellen en mijn e-mail staat gewoon lekker op ‘out of office’.

Ik bedoel meer dat ik het afgelopen half jaar ‘werk’ en ‘privé’ steeds minder als aparte werelden ben gaan ervaren. Toen ik nadacht over het thema van deze blog fluisterde mijn muze mij in dat het allemaal gaat over ‘leren’.

Mijn ‘werk’ (zeg maar waarvoor ik betaald word) speelt zich grotendeels af in de wereld van het onderwijs. Daarbij gaat het dus over ‘leren’. Veel discussies gaan over de aard en de conceptuele duiding van leren: ‘reproductief leren’ (ongewenst), ‘competentiegericht leren’ (wat mij betreft tautologisch), ‘opbrengstgericht leren’ (ook tautologisch), ‘passend onderwijs’ (kan je niet op tegen zijn’), ‘praktijkgericht onderwijs’ (prima), ‘fundamenteel wetenschappelijk onderzoek’ (ook prima), ‘leven lang leren’ (zeer mee eens en zeer nodig).

In reactie op mijn vorige blog (‘leren in de breedte’) schreef Ype Akkerman een sympathieke en inspirerende reactie (zie: www.tienorganisatieadvies.nl), waarin hij pleit voor een ‘inclusieve benadering’ van onderwijs en dus ook van ‘leren’. Kort samengevat: leren doe je overal en daarmee ligt de ‘pedagogische opdracht’ zowel binnen als buiten de muren van de school. Verschillende partijen zouden als een ‘pedagogische joint venture’ moeten opereren: “It takes a village to raise a child.” Zo is het en met dit idee ga ik graag op vakantie.

‘Verwondering is de moeder van alle kennis’, zo leerde Aristoteles ons al. Het vermogen om je te laten verwonderen vereist een ontvankelijkheid daartoe: ‘open staan’ voor verwondering. Dat is een ‘competentie’ (daar is ie weer…), die het onderscheid ‘werk-privé’ ontstijgt. De ‘verwondering’ die ik vaak genoeg beleef tijdens mijn (betaalde) ‘werk’ neem ik mee naar huis en maakt mij een rijker mens. De lessen die ik leer van de verwondering in mijn ‘privéleven’, van de boeken die ik lees, de films die ik zie, de muziek waarnaar ik luister, maken mij een betere adviseur.

Ga ik dan helemaal niet ontspannen tijdens mijn vakantie? Natuurlijk wel. Maar wel vanuit het bovenstaande besef. Daarom kijk ik altijd uit naar mijn vakantie en kijk ik er nooit tegenop om weer te beginnen met ‘mijn werk’. Laten we de vakantie daarom beschouwen als een periode van ‘recreatief leren’. Dat kan prima met een biertje op een zonovergoten terras, ‘learning all the time’. Mijn telefoon staat dan lekker uit. Ik word toch niet teruggeroepen.

Erwin van Rooijen

 

Leren in de breedte…

Written by Erwin van Rooijen. Posted in Blogs

Het is toch wel exemplarisch voor de bijzondere en eigenlijk onmogelijke samenstelling van het huidige kabinet. Een ietwat geëxalteerde staatssecretaris van onderwijs, die voortdurend loopt te roepen dat we in talent en excellentie moeten investeren, dat we op kop moeten lopen in de ‘kenniseconomie’ en dat we met z’n allen een visie op het onderwijs in 2032 bij elkaar moeten twitteren. Daartegenover zijn eigen minister (van sociaal democratische huize), die ‘de arbeider’ nu toch even maant om pas op de plaats te maken. Zij ‘stoort zich eraan’ dat ‘iedereen maar hogerop wil’.

Ik chargeer natuurlijk, zoals deze uitspraken de afgelopen tijd volop gechargeerd en geridiculiseerd zijn. Dat mag in een vrij land. Beide bewindslieden hebben hun uitspraken inmiddels ook uitgebreid genuanceerd en uitgelegd zat ze door ‘de media’ uit ‘de context’ gehaald zijn. Ook dat mag (maar ze hebben het wel gezegd).

Door journalisten en commentatoren is er ook veel verstandigs over gezegd, bijvoorbeeld door Aleid Truijens in de Volkskrant van zaterdag 13 juni jongstleden. Zij stelt dat de minister natuurlijk wel een punt heeft, maar dat zij er verstandiger aan had gedaan om de kwaliteit van het onderwijs en de onderwijsinstellingen als aanvliegroute voor haar betoog te nemen en niet de ambitie van de individuele jongere. Eens.

Wat ik typerend vind voor deze discussie is dat we voortdurend en uitsluitend blijven denken in ‘verticale lijnen’: hogerop, sociale stijging, stapelen, klimmen, niveau, beroepskolom, opscholen etc. Ik mis te veel de ‘horizontale dimensie’: verbreden en verrijken. Dat is waar het bij de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt steeds meer om gaat. Dat merk ik in verschillende opdrachten die ik momenteel uitvoer, met name rond de steeds populairder wordende ‘associate degree opleidingen’. Een associate degree opleiding is een eigenstandige, tweejarige opleiding, die opleidt tot een erkend diploma in het hbo.

In de vele interviews die ik uitvoer in het ‘beroepenveld’ in verschillende maatschappelijke sectoren merk ik dat steeds meer werkgevers het niet meer zo belangrijk vinden of er nou ‘mbo’ of ‘hbo’ op ‘het papiertje’ staat. Werkgevers denken steeds meer in competenties en vaardigheden, steeds meer in (zo u wilt) ‘21st century skills’. Associate degree opleidingen lijken in toenemende mate aan deze behoeften tegemoet te komen, zowel voor nieuw personeel als voor de bijscholing (ik praat bewust niet over opscholing) van zittend personeel. Overigens moeten we ook hier uitkijken voor de valkuil van het ‘niveau-denken’: associate degree opleidingen worden aangeduid met niveau 5, tussen mbo 4 en hbo bachelor in. Maar werkgevers denken dus steeds minder in die termen. Werkgevers denken ‘breder.’

A.F.Th. van der Heijden, wat mij betreft nog steeds de beste Nederlandse romanschrijver van dit moment, introduceerde ooit het begrip ‘leven in de breedte’, een metafoor die mij in mijn filosofische momenten altijd op de been heeft gehouden: “als je het leven niet kunt verlengen, dan moet je het verbreden.” Dat kan alleen wanneer je in meerdere dimensies tegelijk denkt én daar ook naar handelt (dat laatste voert hier te ver, lees zijn boeken).

Laten we in analogie hiermee ons maatschappelijke debat over het onderwijs verrijken met de term ‘leren in de breedte’. Laten we daarin voorop lopen.

Erwin van Rooijen

 

Van zekerheid naar inzetbaarheid…

Written by Peter de Leeuwerk. Posted in Blogs

Recent onderzoek van Randstad laat zien dat werknemers nog steeds groot belang hechten aan zekerheid. Ik weet niet wat het profiel van de respondenten was, maar het lijkt erop dat de nog steeds oprukkende flexibilisering van de arbeidsmarkt zich aan hun waarneming heeft onttrokken. Natuurlijk mag iedereen zelf bepalen wat hij of zij belangrijk vindt, maar de vraag is wel of deze ‘valse hoop’ hen veel verder brengt. Ik denk het eigenlijk niet. Het streven naar zekerheid blijkt in de praktijk eerder een blokkade om de regie van de eigen ontwikkeling zelf ter hand te nemen. Tot het station waar nog kan worden overgestapt op een andere lijn definitief is gepasseerd. En dan ‘moet’ men nog minimaal tien jaar. Verspilling van arbeidspotentieel, maar vooral ook van levensgeluk.

Voordat ons bureau het levenslicht zag (in 2010) werkten de meeste Tieners in dienstverband. Toch zetten wij de stap naar zelfstandigheid. Niet eens omdat we wel wisten dat zekerheid een relatief begrip is, maar vooral omdat we zochten naar nieuwe mogelijkheden om het beste uit onszelf te halen, om progressie te maken in onze professionele ontwikkeling. Want zelfstandigheid impliceert dat je vol met de kop in de wind komt, geen brede rug hebt om je achter te verschuilen, en er geen brood op de plank komt als een opdrachtgever voor een ander kiest. Misschien wel meer dan in het verleden ervaren wij de prikkel om te werken aan onze eigen professionele bagage, aan de relatie met de opdrachtgever, aan een meer dan perfecte uitvoering van onze opdrachten. Deze houding heeft ons aan tafel gebracht bij tal van vooraanstaande opdrachtgevers en hen het vertrouwen gegeven dat hun vraagstukken bij ons in goede handen zijn. En er voor gezorgd dat wij ook onder slechte economische omstandigheden de schoorsteen hebben kunnen laten roken.

Is dat dan alles? Nee, het belangrijkste moet nog komen. Want uit hetzelfde onderzoek van Randstad blijkt dat ‘een prettige werksfeer’ een goede tweede is. We hadden natuurlijk in ons eentje op onze zolderkamer kunnen gaan zitten. Maar wij hebben gekozen voor een gezamenlijk dak, letterlijk en figuurlijk. Om het beste uit jezelf te halen en de best denkbare prestatie te leveren, heb je collega’s nodig. Collega’s die naar je luisteren, die met je meedenken, met je meedoen, bij wie je je hart kunt luchten en die je opbeuren als dat nodig is. Om je aandacht volledig op de opdrachtgever te kunnen richten, heb je secretariële en administratieve ondersteuning van het hoogste niveau nodig. Om prettig te kunnen werken en relaties te kunnen ontvangen, heb je een representatief kantoor nodig. Om een beetje op te vallen tussen al die andere adviseurs, heb je een gezicht nodig. Zie hier de bestaansgrond van Tien organisatieadvies. Natuurlijk zijn aan deze keuzes kosten verbonden. Maar de praktijk wijst inmiddels al meer dan 5 jaar uit dat deze zichzelf meer dan terugverdienen.

Naast onze individuele inzetbaarheid werken we ook aan onze collectieve inzetbaarheid. Het zorgen voor vers bloed hoort daar ook bij. Daarom bieden wij ruimte voor nieuwe collega’s, ervaren organisatieadviseurs zoals wij, met dezelfde attitude en behoefte aan ‘vrijheid in gebondenheid’, maar met complementaire expertise en netwerken. Als je dit wat lijkt, kijk dan eens verder rond op onze site (www.tienorganisatieadvies.nl). Zekerheid bieden we niet, maar daar staat heel veel tegenover.

Peter de Leeuwerk

Rendementsdenken…

Written by Erwin van Rooijen. Posted in Blogs

Ik vind het wel leuk, die maatschappelijke discussie over het doorgeslagen rendementsdenken. De studentenopstand, de bezetting van het Maagdenhuis, oude tijden herleven. Zelf studeerde ik in een heel braaf decennium. In 1969 was ik te jong, nu ben ik te oud om een revolutionair student te zijn. Maar wel solidair natuurlijk. Want in grote lijnen ben ik het ook wel eens met de argumenten. Natuurlijk zie ik ook de verschillen met de bezetting in 1969 en de ideologische context van toen. Maar het is onmiskenbaar dat ‘de politiek’ en ‘de ‘managers in Onderwijsland’ (de goeden niet te na gesproken) ons hoger onderwijs de afgelopen jaren wel heel erg ge-neoliberaliseerd hebben met targets, prestatie-indicatoren, sturingsmodellen en onbegrijpelijke, vaak dubieuze bekostigingsstructuren. De hoogste tijd voor tegengas. Terecht wat mij betreft. Ik vind ook dat er altijd plaats moet zijn voor ‘kleine’ en ‘obscure’ studies: Noors, Assyrisch Babylonisch, Theologie, Oosterse filosofie, Nieuw Grieks, Papyrologie, u noemt het maar. Maatschappelijke relevantie is een betrekkelijk en ideologisch bepaald begrip. Hoe meer het economische en culturele kapitaal met elkaar in balans zijn, hoe hoger het beschavingsgehalte van een samenleving (om de grote socioloog Bourdieu maar weer eens te parafraseren). Helemaal mee eens.

Toch ben ik in mijn werk als adviseur altijd bezig met het ‘vergroten van het rendement’ in het belang van mijn klanten. Zij willen (bij voorkeur meetbare) effecten zien van mijn ‘interventies’. Dat is vaak ook terecht (niet altijd). Staat dat dan niet op gespannen voet met bovenstaande, ideologisch getinte alinea? Ben ik dan wel geschikt voor dit werk? Ben ik geen opportunist?
Het antwoord is volmondig: nee, ik ben geen opportunist, ik ben niet ‘te kwader trouw’ (Sartre), ik ben bij uitstek geschikt voor het werk als professional adviseur. Dat durf ik met stelligheid te beweren, omdat ik iedere dag reflecteer op deze vragen en omdat ik ‘rendement’ altijd zie en begrijp op drie verschillende niveaus tegelijk.

Om dit te duiden gebruik ik (steeds vaker ook in opdrachten) graag de metafoor van de ‘ijsberg’. Wellicht kent u het beeld. Wat wij dagelijks zien is de top van de ijsberg. Hier gaat het om kennis en vaardigheden, om presteren, om rationele analyses, om strategie en om meetbaar effect. Een vluchtige en platte wereld, waar de vraag ‘wat doen we?’ centraal staat. Daaronder – we zijn inmiddels onder water – zit de laag van ‘waarden en opvattingen’. Hierbij gaat het om de vraag: ‘wat denken we?’ Daaronder – en meestal echt onzichtbaar – komen we terecht in de laag van ‘drijfveren en eigenschappen.’ ‘Wat willen we echt?’ is hier de dominante vraag.

Als adviseur (maar ook in niet mijn declarabele uren) probeer ik altijd alle drie de lagen van de ijsberg in het oog te houden en te bedienen. Ik weet dat mijn opdrachtgevers vaak onder druk staan, omdat er ‘geleverd moet worden’. Daarbij ondersteun ik graag. ‘Als consultant verkopen wij immers nachtrust’, zoals een directeur van mij het ooit zo mooi verwoordde.
Maar ik weet ook, dat mijn opdrachtgevers met hun eigen waarden en drijfveren werken in de setting waarin ze werken. Hoe verhouden deze zich tot de ‘maatschappelijke opdracht’ waarvoor hun organisatie ‘aan de lat staat’. Wat zijn hun idealen? Wat zijn hun ambities? Wat zijn hun zorgen?
Ook dat probeer ik altijd in beeld te krijgen en te begrijpen. Ook daarop probeer ik mijn adviezen af te stemmen, niet als psycholoog, maar als adviseur. De metafoor van de ijsberg gaat overigens ook op voor ‘organisaties’ als geheel.

Ook ik denk dus wel degelijk in ‘rendement’, maar dan wel in ‘rendement in drie lagen’. Alleen dan kan ik goed functioneren als adviseur, alleen dan heb ik echt toegevoegde waarde.

Daarom ben ik blij dat ik ooit een doorgaans niet zo maatschappelijk relevant geachte studie heb gedaan. Daar heb ik leren reflecteren. Daarvan pluk ik elke dag de vruchten. Alleen jammer dat ik nooit in opstand ben gekomen.

 

Erwin van Rooijen