2032…

Written by Erwin van Rooijen. Posted in Blogs

Toch nog even over ‘2032’, #Onderwijs 2032 om precies te zijn. Op initiatief van staatssecretaris Sander Dekker startte het Platform Onderwijs 2032 op 1 februari 2015 een maatschappelijke dialoog over het onderwijs van de toekomst. Het jaar 2032 is als stip op de horizon gekozen, omdat de meeste kinderen die nu geboren worden ongeveer in dat jaar de arbeidsmarkt zullen betreden.

Heel Nederland mocht meepraten, bloggen, twitteren en facebooken. Op 1 oktober jongstleden presenteerde Paul Schnabel, voorzitter van de commissie, de hoofdlijnen van het advies. Bij Nieuwsuur kwam hij het een en ander nader toelichten.

Ik liep al een tijdje rond met het idee om een leuk, kritisch, mild ironisch stukje over Onderwijs 2032 te schrijven. Niet omdat ik het allemaal onzin vind, niet om het debat te ridiculiseren en zeker niet omdat ik de commissie en zijn voorzitter niet hoog zou achten, maar wel om de redenen die Aleid Truijens vorige week zaterdag in haar column in de Volkskrant zo treffend beschreef. Zij was mij dus voor. Ere wie ere toekomt.

Kern van haar betoog was dat er toch wel heel veel ronkende en obligate retoriek in het hele verhaal zit: de nieuwsgierigheid en creativiteit van leerlingen moeten geprikkeld worden, leerlingen moeten de kansen van de digitale wereld leren benutten, het onderwijs moet maatwerk bieden en relevant zijn, taal- en rekenvaardigheid zijn van groot belang enzovoort. Tja, daar kunnen we het niet mee oneens zijn, net zoals we allemaal voor de wereldvrede zijn. Dat vraagt dus inderdaad om enig ironisch tegengas, maar dat is dus al volop en met goede argumenten gegeven. En ja, je moet die oneliners in hun context lezen, ik weet het.

Ik wil hier nog een ander punt maken. Waarom trappen wij als samenleving toch steeds weer in de valkuil van het idee dat wij meer dan 10 jaar vooruit kunnen kijken? Waarom denken wij steeds dat wij de ongewisse toekomst een beetje naar voren kunnen halen en daarmee een beetje minder onvoorspelbaar kunnen maken. De geschiedenis leert ons keer op keer, dat dit een illusie is. Zeker alle stelsel- en paradigmawijzigingen die het onderwijsveld de afgelopen jaren als een pendule heeft zien langskomen en heeft mogen incasseren, leren dat dit een illusie is. Veel van wat er nu anno 2015 speelt, was in 2000 ondenkbaar en onvoorspelbaar. De samenleving is maar een klein beetje ‘maakbaar’ en dat is maar goed ook.

Vind ik dan dat het onderwijs zich niet op de toekomst moet richten? Natuurlijk vind ik dat wel. Het onderwijs leidt op voor de wereld en de arbeidsmarkt van morgen. Focus op de toekomst, uiteraard.

Geloof ik dan niet in de spreekwoordelijke ‘stip op de horizon’? Ook daarin geloof ik wel degelijk en bij verschillende ‘hei-sessies’ en andere bijeenkomsten pas ik deze methode zelf ook graag en met enige regelmaat toe. Aan creatieve werkvormen geen gebrek. Altijd goed als een organisatie of een team eens met elkaar de tijd neemt om zich af te vragen: ‘hoe willen wij over vijf jaar zijn en gekend worden?’ Onlangs heb ik zo’n sessie met mijn eigen collega’s van Tien organisatieadvies gedaan. Dat was leuk, gezellig, goed en inspirerend. Maar dat leidt niet meteen tot een actieagenda en dat hoeft ook niet. Een goed gevoel is ook een belangrijke opbrengst.

Ik ben een voorstander van groot en breed denken. Het kan mij niet visionair en idealistisch genoeg zijn, zeker niet als we het gesprek in het café voeren.

Maar wanneer we serieus de ambitie hebben om via ‘stippen op de horizon’ tot concrete acties, projecten, programma’s, stelselwijzigingen en nog veel meer te komen, zou ik willen bepleiten om ‘het klein te houden’.

Ik heb op deze plek al vaker geschreven over de vele mooie opdrachten die ik mag uitvoeren, waarbij ‘onderwijs en bedrijfsleven’ met elkaar in verbinding worden gebracht. Daar zitten vele voorbeelden tussen van mooie toekomstbespiegelingen en concrete samenwerking op korte termijn en op kleine schaal. Ik vind het mooi en dankbaar werk om daar als adviseur een bijdrage aan te kunnen leveren: maatwerk en relevantie.

Daarbij word ik gedreven door maatschappelijke betrokkenheid, ambitie en nieuwsgierigheid: ik ben altijd benieuwd naar de dag van morgen, mijn agenda zit de komende weken best vol. Maar hoe mijn agenda er in 2032 uitziet? Ik heb geen idee, gelukkig maar.

Erwin van Rooijen

 

Opmaat tot mijn nieuwe boek…

Written by Peter de Leeuwerk. Posted in Blogs

Ik denk dat ik binnenkort weer een boek ga schrijven. Niet omdat ik daar tijd voor heb of omdat ik denk dat iemand het zou willen lezen, maar omdat mijn werk mij in de meest uiteenlopende omgevingen brengt en ik wil voorkomen dat mijn ervaringen vervliegen. Op dit moment ben ik interim-directeur van Het Gelders Orkest, een van ’s lands meest vooraanstaande symfonieorkesten. Het is geen geheim dat het Rijk zwaar heeft bezuinigd op de cultuursector. Zo is de rijksbijdrage voor symfonieorkesten zo goed als gehalveerd, uiteraard met ingrijpende gevolgen voor het kloppend hart van een orkestbedrijf, de musici. Het voert nu te ver om in detail te treden, maar neem van mij aan dat menigeen het bijltje er bij zou hebben neergegooid. Zo niet de musicus. Deze week was ik bij een orkestrepetitie, tussen de puinhopen en het opwaaiende stof van Musis in renovatie. Er klonk gemopper en gemor, maar op het moment dat de dirigent zijn armen ophief voor de eerste maten van Das Lied der Erde van Mahler was er plotseling optimale concentratie en aandacht, om een seconde later te worden gevolgd door de mooiste muziek van de wereld, helemaal voor mij alleen in een verder lege zaal. Wat ik zag was ongeëvenaarde toewijding, passie, beroepseer. Wat zouden veel organisaties daar nog veel van kunnen leren. Zoals andere organisaties weer veel kunnen leren van de tot in perfectie doorgevoerde markt- en resultaatgerichtheid van PCI (dealerbedrijf van printers), van de wendbaarheid van UW (Sociaal Werkbedrijf van gemeente Utrecht), van de overlevingskracht van een in een sterk krimpende markt opererende Hoekstra Krantendruk, van de innovatiekracht van veeverbeteraar CRV, van het hoge inhoudelijke kennisniveau van Waterschap Rijn&IJssel, van de wereldveroverende technologische kracht van Machinefabriek Houdijk, van de toewijding aan studenten van de docenten van Hogeschool Arnhem en Nijmegen, van het vermogen om veelbelovende nieuwe businessmodellen te traceren en tot wasdom te laten komen van Newion Investments, van de durf van de gemeente Delft om het ondernemerschap van haar sociaal werkbedrijf Werkse! echt ruimte te geven. En dan kan ik nog wel even doorgaan…

Wat een prachtig vak hebben wij toch, denk ik terwijl ik dit opschrijf. Dat wij in zo veel keukens mogen kijken. En wat een eer dat wij bij deze – en vele andere – organisaties een kleine bijdrage mogen leveren aan hun ontwikkeling. En wat bijzonder dat wij in staat worden gesteld om suggesties aan te dragen om de minder ontwikkelde competenties van organisaties te versterken. We doen dan ook niets liever. Maar er komt een moment dat ik het ga opschrijven. Met deze blog heb ik daarvoor het fundament gelegd.

Peter de Leeuwerk

Recreatief leren…

Written by Erwin van Rooijen. Posted in Blogs

Ik vind het altijd mooi en ietwat theatraal als de Tweede Kamer wordt teruggeroepen van het ‘zomerreces’ om te debatteren over urgente kwesties. Onlangs gebeurde dat weer in het kader van de discussie over Griekenland. Ik stel me dan voor dat Alexander Pechtold of Sybrand Buma (of wie u maar wilt) in korte broek zittend op een mediterraan terrasje zijn vrouw veelbetekenend en doodmoe aankijkt en draaiend met de ogen machteloos in de lucht wappert met zijn mobiele telefoon om de onheilstijding te onderstrepen: terug naar huis, einde vakantie.

Ik ga over een paar dagen op vakantie en ik weet zeker dat ik niet word teruggeroepen. Ik ga ook lekker heel ver weg, dus in het geval van urgente zaken ben ik toch niet op tijd terug. Urgente zaken vragen immers om een snelle oplossing en zijn dus per definitie kortdurend. Nee, mij zie je de komende vier weken niet terug. Bovendien neem ik mijn werk altijd mee op vakantie. Daarmee bedoel ik niet mijn laptop (neem ik echt niet mee), te lezen stukken en/of vakliteratuur (idem), ik ga ook niet ‘zakelijk’ zitten bellen en mijn e-mail staat gewoon lekker op ‘out of office’.

Ik bedoel meer dat ik het afgelopen half jaar ‘werk’ en ‘privé’ steeds minder als aparte werelden ben gaan ervaren. Toen ik nadacht over het thema van deze blog fluisterde mijn muze mij in dat het allemaal gaat over ‘leren’.

Mijn ‘werk’ (zeg maar waarvoor ik betaald word) speelt zich grotendeels af in de wereld van het onderwijs. Daarbij gaat het dus over ‘leren’. Veel discussies gaan over de aard en de conceptuele duiding van leren: ‘reproductief leren’ (ongewenst), ‘competentiegericht leren’ (wat mij betreft tautologisch), ‘opbrengstgericht leren’ (ook tautologisch), ‘passend onderwijs’ (kan je niet op tegen zijn’), ‘praktijkgericht onderwijs’ (prima), ‘fundamenteel wetenschappelijk onderzoek’ (ook prima), ‘leven lang leren’ (zeer mee eens en zeer nodig).

In reactie op mijn vorige blog (‘leren in de breedte’) schreef Ype Akkerman een sympathieke en inspirerende reactie (zie: www.tienorganisatieadvies.nl), waarin hij pleit voor een ‘inclusieve benadering’ van onderwijs en dus ook van ‘leren’. Kort samengevat: leren doe je overal en daarmee ligt de ‘pedagogische opdracht’ zowel binnen als buiten de muren van de school. Verschillende partijen zouden als een ‘pedagogische joint venture’ moeten opereren: “It takes a village to raise a child.” Zo is het en met dit idee ga ik graag op vakantie.

‘Verwondering is de moeder van alle kennis’, zo leerde Aristoteles ons al. Het vermogen om je te laten verwonderen vereist een ontvankelijkheid daartoe: ‘open staan’ voor verwondering. Dat is een ‘competentie’ (daar is ie weer…), die het onderscheid ‘werk-privé’ ontstijgt. De ‘verwondering’ die ik vaak genoeg beleef tijdens mijn (betaalde) ‘werk’ neem ik mee naar huis en maakt mij een rijker mens. De lessen die ik leer van de verwondering in mijn ‘privéleven’, van de boeken die ik lees, de films die ik zie, de muziek waarnaar ik luister, maken mij een betere adviseur.

Ga ik dan helemaal niet ontspannen tijdens mijn vakantie? Natuurlijk wel. Maar wel vanuit het bovenstaande besef. Daarom kijk ik altijd uit naar mijn vakantie en kijk ik er nooit tegenop om weer te beginnen met ‘mijn werk’. Laten we de vakantie daarom beschouwen als een periode van ‘recreatief leren’. Dat kan prima met een biertje op een zonovergoten terras, ‘learning all the time’. Mijn telefoon staat dan lekker uit. Ik word toch niet teruggeroepen.

Erwin van Rooijen

 

Leren in de breedte…

Written by Erwin van Rooijen. Posted in Blogs

Het is toch wel exemplarisch voor de bijzondere en eigenlijk onmogelijke samenstelling van het huidige kabinet. Een ietwat geëxalteerde staatssecretaris van onderwijs, die voortdurend loopt te roepen dat we in talent en excellentie moeten investeren, dat we op kop moeten lopen in de ‘kenniseconomie’ en dat we met z’n allen een visie op het onderwijs in 2032 bij elkaar moeten twitteren. Daartegenover zijn eigen minister (van sociaal democratische huize), die ‘de arbeider’ nu toch even maant om pas op de plaats te maken. Zij ‘stoort zich eraan’ dat ‘iedereen maar hogerop wil’.

Ik chargeer natuurlijk, zoals deze uitspraken de afgelopen tijd volop gechargeerd en geridiculiseerd zijn. Dat mag in een vrij land. Beide bewindslieden hebben hun uitspraken inmiddels ook uitgebreid genuanceerd en uitgelegd zat ze door ‘de media’ uit ‘de context’ gehaald zijn. Ook dat mag (maar ze hebben het wel gezegd).

Door journalisten en commentatoren is er ook veel verstandigs over gezegd, bijvoorbeeld door Aleid Truijens in de Volkskrant van zaterdag 13 juni jongstleden. Zij stelt dat de minister natuurlijk wel een punt heeft, maar dat zij er verstandiger aan had gedaan om de kwaliteit van het onderwijs en de onderwijsinstellingen als aanvliegroute voor haar betoog te nemen en niet de ambitie van de individuele jongere. Eens.

Wat ik typerend vind voor deze discussie is dat we voortdurend en uitsluitend blijven denken in ‘verticale lijnen’: hogerop, sociale stijging, stapelen, klimmen, niveau, beroepskolom, opscholen etc. Ik mis te veel de ‘horizontale dimensie’: verbreden en verrijken. Dat is waar het bij de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt steeds meer om gaat. Dat merk ik in verschillende opdrachten die ik momenteel uitvoer, met name rond de steeds populairder wordende ‘associate degree opleidingen’. Een associate degree opleiding is een eigenstandige, tweejarige opleiding, die opleidt tot een erkend diploma in het hbo.

In de vele interviews die ik uitvoer in het ‘beroepenveld’ in verschillende maatschappelijke sectoren merk ik dat steeds meer werkgevers het niet meer zo belangrijk vinden of er nou ‘mbo’ of ‘hbo’ op ‘het papiertje’ staat. Werkgevers denken steeds meer in competenties en vaardigheden, steeds meer in (zo u wilt) ‘21st century skills’. Associate degree opleidingen lijken in toenemende mate aan deze behoeften tegemoet te komen, zowel voor nieuw personeel als voor de bijscholing (ik praat bewust niet over opscholing) van zittend personeel. Overigens moeten we ook hier uitkijken voor de valkuil van het ‘niveau-denken’: associate degree opleidingen worden aangeduid met niveau 5, tussen mbo 4 en hbo bachelor in. Maar werkgevers denken dus steeds minder in die termen. Werkgevers denken ‘breder.’

A.F.Th. van der Heijden, wat mij betreft nog steeds de beste Nederlandse romanschrijver van dit moment, introduceerde ooit het begrip ‘leven in de breedte’, een metafoor die mij in mijn filosofische momenten altijd op de been heeft gehouden: “als je het leven niet kunt verlengen, dan moet je het verbreden.” Dat kan alleen wanneer je in meerdere dimensies tegelijk denkt én daar ook naar handelt (dat laatste voert hier te ver, lees zijn boeken).

Laten we in analogie hiermee ons maatschappelijke debat over het onderwijs verrijken met de term ‘leren in de breedte’. Laten we daarin voorop lopen.

Erwin van Rooijen

 

Van zekerheid naar inzetbaarheid…

Written by Peter de Leeuwerk. Posted in Blogs

Recent onderzoek van Randstad laat zien dat werknemers nog steeds groot belang hechten aan zekerheid. Ik weet niet wat het profiel van de respondenten was, maar het lijkt erop dat de nog steeds oprukkende flexibilisering van de arbeidsmarkt zich aan hun waarneming heeft onttrokken. Natuurlijk mag iedereen zelf bepalen wat hij of zij belangrijk vindt, maar de vraag is wel of deze ‘valse hoop’ hen veel verder brengt. Ik denk het eigenlijk niet. Het streven naar zekerheid blijkt in de praktijk eerder een blokkade om de regie van de eigen ontwikkeling zelf ter hand te nemen. Tot het station waar nog kan worden overgestapt op een andere lijn definitief is gepasseerd. En dan ‘moet’ men nog minimaal tien jaar. Verspilling van arbeidspotentieel, maar vooral ook van levensgeluk.

Voordat ons bureau het levenslicht zag (in 2010) werkten de meeste Tieners in dienstverband. Toch zetten wij de stap naar zelfstandigheid. Niet eens omdat we wel wisten dat zekerheid een relatief begrip is, maar vooral omdat we zochten naar nieuwe mogelijkheden om het beste uit onszelf te halen, om progressie te maken in onze professionele ontwikkeling. Want zelfstandigheid impliceert dat je vol met de kop in de wind komt, geen brede rug hebt om je achter te verschuilen, en er geen brood op de plank komt als een opdrachtgever voor een ander kiest. Misschien wel meer dan in het verleden ervaren wij de prikkel om te werken aan onze eigen professionele bagage, aan de relatie met de opdrachtgever, aan een meer dan perfecte uitvoering van onze opdrachten. Deze houding heeft ons aan tafel gebracht bij tal van vooraanstaande opdrachtgevers en hen het vertrouwen gegeven dat hun vraagstukken bij ons in goede handen zijn. En er voor gezorgd dat wij ook onder slechte economische omstandigheden de schoorsteen hebben kunnen laten roken.

Is dat dan alles? Nee, het belangrijkste moet nog komen. Want uit hetzelfde onderzoek van Randstad blijkt dat ‘een prettige werksfeer’ een goede tweede is. We hadden natuurlijk in ons eentje op onze zolderkamer kunnen gaan zitten. Maar wij hebben gekozen voor een gezamenlijk dak, letterlijk en figuurlijk. Om het beste uit jezelf te halen en de best denkbare prestatie te leveren, heb je collega’s nodig. Collega’s die naar je luisteren, die met je meedenken, met je meedoen, bij wie je je hart kunt luchten en die je opbeuren als dat nodig is. Om je aandacht volledig op de opdrachtgever te kunnen richten, heb je secretariële en administratieve ondersteuning van het hoogste niveau nodig. Om prettig te kunnen werken en relaties te kunnen ontvangen, heb je een representatief kantoor nodig. Om een beetje op te vallen tussen al die andere adviseurs, heb je een gezicht nodig. Zie hier de bestaansgrond van Tien organisatieadvies. Natuurlijk zijn aan deze keuzes kosten verbonden. Maar de praktijk wijst inmiddels al meer dan 5 jaar uit dat deze zichzelf meer dan terugverdienen.

Naast onze individuele inzetbaarheid werken we ook aan onze collectieve inzetbaarheid. Het zorgen voor vers bloed hoort daar ook bij. Daarom bieden wij ruimte voor nieuwe collega’s, ervaren organisatieadviseurs zoals wij, met dezelfde attitude en behoefte aan ‘vrijheid in gebondenheid’, maar met complementaire expertise en netwerken. Als je dit wat lijkt, kijk dan eens verder rond op onze site (www.tienorganisatieadvies.nl). Zekerheid bieden we niet, maar daar staat heel veel tegenover.

Peter de Leeuwerk

Rendementsdenken…

Written by Erwin van Rooijen. Posted in Blogs

Ik vind het wel leuk, die maatschappelijke discussie over het doorgeslagen rendementsdenken. De studentenopstand, de bezetting van het Maagdenhuis, oude tijden herleven. Zelf studeerde ik in een heel braaf decennium. In 1969 was ik te jong, nu ben ik te oud om een revolutionair student te zijn. Maar wel solidair natuurlijk. Want in grote lijnen ben ik het ook wel eens met de argumenten. Natuurlijk zie ik ook de verschillen met de bezetting in 1969 en de ideologische context van toen. Maar het is onmiskenbaar dat ‘de politiek’ en ‘de ‘managers in Onderwijsland’ (de goeden niet te na gesproken) ons hoger onderwijs de afgelopen jaren wel heel erg ge-neoliberaliseerd hebben met targets, prestatie-indicatoren, sturingsmodellen en onbegrijpelijke, vaak dubieuze bekostigingsstructuren. De hoogste tijd voor tegengas. Terecht wat mij betreft. Ik vind ook dat er altijd plaats moet zijn voor ‘kleine’ en ‘obscure’ studies: Noors, Assyrisch Babylonisch, Theologie, Oosterse filosofie, Nieuw Grieks, Papyrologie, u noemt het maar. Maatschappelijke relevantie is een betrekkelijk en ideologisch bepaald begrip. Hoe meer het economische en culturele kapitaal met elkaar in balans zijn, hoe hoger het beschavingsgehalte van een samenleving (om de grote socioloog Bourdieu maar weer eens te parafraseren). Helemaal mee eens.

Toch ben ik in mijn werk als adviseur altijd bezig met het ‘vergroten van het rendement’ in het belang van mijn klanten. Zij willen (bij voorkeur meetbare) effecten zien van mijn ‘interventies’. Dat is vaak ook terecht (niet altijd). Staat dat dan niet op gespannen voet met bovenstaande, ideologisch getinte alinea? Ben ik dan wel geschikt voor dit werk? Ben ik geen opportunist?
Het antwoord is volmondig: nee, ik ben geen opportunist, ik ben niet ‘te kwader trouw’ (Sartre), ik ben bij uitstek geschikt voor het werk als professional adviseur. Dat durf ik met stelligheid te beweren, omdat ik iedere dag reflecteer op deze vragen en omdat ik ‘rendement’ altijd zie en begrijp op drie verschillende niveaus tegelijk.

Om dit te duiden gebruik ik (steeds vaker ook in opdrachten) graag de metafoor van de ‘ijsberg’. Wellicht kent u het beeld. Wat wij dagelijks zien is de top van de ijsberg. Hier gaat het om kennis en vaardigheden, om presteren, om rationele analyses, om strategie en om meetbaar effect. Een vluchtige en platte wereld, waar de vraag ‘wat doen we?’ centraal staat. Daaronder – we zijn inmiddels onder water – zit de laag van ‘waarden en opvattingen’. Hierbij gaat het om de vraag: ‘wat denken we?’ Daaronder – en meestal echt onzichtbaar – komen we terecht in de laag van ‘drijfveren en eigenschappen.’ ‘Wat willen we echt?’ is hier de dominante vraag.

Als adviseur (maar ook in niet mijn declarabele uren) probeer ik altijd alle drie de lagen van de ijsberg in het oog te houden en te bedienen. Ik weet dat mijn opdrachtgevers vaak onder druk staan, omdat er ‘geleverd moet worden’. Daarbij ondersteun ik graag. ‘Als consultant verkopen wij immers nachtrust’, zoals een directeur van mij het ooit zo mooi verwoordde.
Maar ik weet ook, dat mijn opdrachtgevers met hun eigen waarden en drijfveren werken in de setting waarin ze werken. Hoe verhouden deze zich tot de ‘maatschappelijke opdracht’ waarvoor hun organisatie ‘aan de lat staat’. Wat zijn hun idealen? Wat zijn hun ambities? Wat zijn hun zorgen?
Ook dat probeer ik altijd in beeld te krijgen en te begrijpen. Ook daarop probeer ik mijn adviezen af te stemmen, niet als psycholoog, maar als adviseur. De metafoor van de ijsberg gaat overigens ook op voor ‘organisaties’ als geheel.

Ook ik denk dus wel degelijk in ‘rendement’, maar dan wel in ‘rendement in drie lagen’. Alleen dan kan ik goed functioneren als adviseur, alleen dan heb ik echt toegevoegde waarde.

Daarom ben ik blij dat ik ooit een doorgaans niet zo maatschappelijk relevant geachte studie heb gedaan. Daar heb ik leren reflecteren. Daarvan pluk ik elke dag de vruchten. Alleen jammer dat ik nooit in opstand ben gekomen.

 

Erwin van Rooijen

 

Decentraliseren met vertrouwen…

Written by Peter de Leeuwerk. Posted in Blogs

Hoe zal 1 januari 2015 de geschiedenisboeken ingaan? Als het einde van de beklemmende alleenheerschappij van ‘Den Haag’ in het sociale domein of als het begin van een periode van willekeur en rechteloosheid van hen die van zorg aan aandacht afhankelijk zijn: onze jeugd en hun verzorgers, ouderen en langdurig zieken en mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt. Feit is dat de Grote Decentralisaties die op 1 januari van kracht zijn, een historische trendbreuk markeren, een trendbreuk van de ‘zorgzame overheid’ naar de zelfredzaamheid van individuen en de gemeenschappen waarvan zij onderdeel uitmaken. Onvermijdelijk of niet.

Je kunt geen krant of tijdschrift openslaan, geen praatprogramma beluisteren of seminar bijwonen of het gaat over de hervormingen in het sociaal domein. Gelardeerd met tranentrekkende incidenten, tot aan het privédomein van de verantwoordelijke staatssecretaris zelf toe, wordt een periode van grote rampspoed in het vooruitzicht gesteld. En in veler ogen zou dat het directe gevolg zijn van de decentralisaties: er is veel te weinig geld beschikbaar, de gemeenten hebben de mensen en deskundigheid niet, er ontstaat ongelijke behandeling in gelijke situaties, de verzekeraars krijgen alle macht, het ontstaan van wijkteams zorgt opnieuw voor bureaucratisering, maar nu op lokaal niveau, enzovoort, enzovoort. Afijn, u heeft het zelf ook allemaal kunnen lezen en horen. Aan een bewindspersoon die durft te zeggen dat het allemaal best mee zal vallen en dat het nu eenmaal noodzakelijk is, valt de nodige hoon ten deel: ‘nu gaat hij het ook nog bagatelliseren!’.

Dankzij een van mijn favoriete beschouwers van ontwikkelingen in het politieke en maatschappelijke domein, NRC-columnist Marc Chavannes, stuitte ik in mijn zoektocht naar achtergronden en betekenissen op een recente lezing van prof. dr. Wim van de Donk thans commissaris van de Koning in Noord-Brabant), de 11e ROB lezing gehouden op 12 november jl. De titel van deze lezing luidt: ‘De centralisatie in openbaar besturen, over dunne denkramen, pertinente pragmatiek en ambivalente ambities’. Als tegenwicht tegen incident-gedreven populisme m.i. verplichte kost. Ik doe de inhoud ongetwijfeld ernstig te kort, maar wat mij is bijgebleven is het volgende. Veel te weinig wordt onderkend dat zorg een zgn. relational good is: een goed dat in feite pas ontstaat in de interactie tussen zorgvrager en zorgverlener. Het is dus geen goed dat zo maar op een simpele markt kan worden verhandeld of kan worden dichtgetimmerd door wet- en regelgeving. Zeker in periodes van grote onzekerheid – en daarin leven we nu eenmaal – is essentieel onderdeel van de decentralisatievraag ‘hoe politiek, samenleving en bestuur om moeten gaan met de onverwachte gevolgen die voortkomen uit interactie, interdependenties en de interferenties die inherent zijn aan complexe systemen’. En juist dat ziet de centrale overheid categorisch over het hoofd, zo stelt hij. Er wordt a.h.w. centralistisch gedecentraliseerd, vanuit het bestaande denkraam van de centrale overheid. Hij refereert aan het ‘dochter op kamers syndroom’: wel op kamers maar elke avond bellen. Alleen al door te suggereren dat de vinger aan de pols wordt gehouden en ‘fouten’ zullen worden ‘hersteld’ (in de praktijk meestal op basis van de door de media uitvergrote incidenten), ontneemt dit de vele partijen die in gezamenlijkheid het ‘product’ zorg dagelijks tot stand brengen, de adem om vanuit een ander kader te gaan denken en handelen. Daardoor wordt een fundamentele herinrichting van de zorg eerder geblokkeerd dan bevorderd en bereikt de centrale overheid het tegenovergestelde van wat zij wil. Want, zo stelt Van de Donk, ’we zullen moeten accepteren dat de vele maatschappelijke organisaties, professionals, ondernemers en niet te vergeten de burger zelf, een doorslaggevende rol gaan spelen in de vormgeving van de zorg en de participatie in arbeid en samenleving’. Een overheid die dit niet uitdraagt, neemt zijn burgers dus niet serieus.

Behalve dit inzicht is er daarvoor maar één ding nodig: vertrouwen. Vertrouwen dat partijen, met vallen en opstaan, uiteindelijk oplossingen bedenken die goed en haalbaar zijn. Vanuit onze optiek gezien – we komen bij veel gemeenten en zorgverleners over de vloer – is er ook alle reden om dit vertrouwen te hebben. Op veel plaatsen is het afgelopen jaar keihard gewerkt aan het voorbereiden van de majeure decentralisaties, vanuit een enorm verantwoordelijkheidsgevoel en met een grote toewijding. En tegelijkertijd is men realistisch genoeg om in te zien dat er dingen zullen mislopen en zullen moeten worden hersteld. De grootste succesfactor hierbij is de mate waarin ‘men’ – gemeenteraden, toezichthouders, media – de reflex weten te vermijden dat ‘dit niet had mogen gebeuren’ en dus straffen moeten worden uitgedeeld. Want dat zou de lef in de kiem smoren en ertoe leiden dat het gesprek over de verkeerde onderwerpen gaat.

In mijn rol als voorzitter de Raad van Commissarissen van UW, het sociale werkbedrijf van Utrecht, ben ik nauw betrokken bij het transitieproces ten gevolge van de invoering van de Participatiewet (een van de Grote Decentralisaties). Voor nieuwe WSW-ers is de deur definitief op slot, de rijksbijdrage per arbeidsplaats daalt jaarlijks met vele procenten, ‘ineens’ draagt de organisatie medeverantwoordelijkheid voor geheel andere doelgroepen (ook de WA-jongpopulatie en bijstandsgerechtigden) en moet de organisatie met andere partijen gaan samenwerken dan voorheen en ga zo maar door. Hoewel de toekomst ongewis is en onderweg nog veel moet worden opgelost: UW is er wel klaar voor. Menig onderneming zou zich bij zo’n game changer achter de oren moeten krabben. En overigens niet alleen op eigen kracht; ook de gemeente Utrecht heeft op basis van een heldere visie en vertrouwen in de bedrijfsvoering van UW daaraan stevig bijgedragen. Een prachtig voorbeeld van hoe lokale partners nieuwe wegen vinden.

Is er dan geen vuiltje aan de lucht? Helaas wel. Wat ons steeds vaker opvalt, is dat steeds minder mensen steeds meer moeten doen. Bestuurders, managers en medewerkers krijgen het steeds zwaarder. Misschien onvermijdelijk, maar niet zonder gevaar. Gevaar voor de organisaties, maar vooral ook voor de mensen die het moeten doen. Dat zien we dan ook bij onze opdrachtgevers en hun mensen: velen zijn hijgend op weg naar de Kerstdagen. Daarom sluit ik graag af met een persoonlijke kerstwens: rust even uit, neem de tijd om je hoofd leeg te maken en geniet een paar dagen van wat echt belangrijk is in het leven. Om daarna goed uitgerust alle creativiteit en energie aan te boren om onze maatschappij opnieuw in te richten. Want dat is in essentie de opdracht waarvoor we de komende jaren staan.

 

Peter de Leeuwerk

 

 

 

 

 

 

 

Zomerdromen over perfectie…

Written by Peter de Leeuwerk. Posted in Blogs

Wat hebben het boek ‘De Cirkel’ van David Eggers, mijn recente bezoek aan IKEA, het WRR-rapport ‘Naar een lerende economie’ en mijn huidige interim-functie bij de Hogeschool voor Arnhem en Nijmegen (HAN) met elkaar te maken? In elk geval het moment waarop zij in mijn gedachtewereld samenkomen: in de vrije denkruimte die ik elk jaar opnieuw ervaar wanneer mijn vakantie erop zit en de meeste anderen nog weg zijn, op mijn racefiets zoevend over de Betuwse dijken, in mijn achtertuin of in leeg kantoor met Radio4 op de achtergrond. Vaak ongestructureerde flarden van gedachten, waarvan ik naarmate de tijd vordert steeds meer het vermoeden krijg dat er een samenhang tussen bestaat en waarvan ik vermoed dat de cirkel zich als vanzelf sluit zodra ik het ga opschrijven.

Laat ik daar dan ook maar mee beginnen. Het boek ‘De Cirkel’ is een veel besproken Amerikaanse roman waarin aan de hand van de belevenissen van een jonge vrouw een moderne versie van George Orwell’s ‘1984’ gestalte krijgt (u heeft het vast gelezen, want ik kreeg het gevoel dat ik een van de laatsten was). Weliswaar slecht geschreven (volgens mij heet de schrijver gewoon tante Betje), maar daarom niet minder beklemmend belichtend hoe jaloersmakende perfectie geruisloos overgaat in angstaanjagende perversie. En over perfectie gesproken: zoals (bijna) elke ouder met jong volwassen kinderen mocht ik deze zomer mijn fysieke en financiële draagkracht inzetten bij de bekende Zweedse meubelsupermarkt. Bewondering om zo veel slimheid en irritatie over de massaliteit streden om de overwinning. Bijna had de eerste gewonnen, totdat enkele zorgvuldig door mijn dochter geselecteerde artikelen toch niet op voorraad bleken te zijn. Want er hoeft niet veel te gebeuren om de belofte van perfectie in haar tegendeel te doen veranderen. Een perfect concept vereist nu eenmaal een meer dan perfecte uitvoering. Afgelopen voorjaar verscheen het veel- (maar helaas kort-)besproken WRR-rapport ‘Naar een lerende economie’. Ik had het stellige voornemen om mij er in de zomer in te verdiepen. Aldus geschiedde. Dit m.i. perfecte rapport betoogt het volgende: ‘Veranderingen op het gebied van de capaciteiten van mensen en instituties bieden de meeste kansen voor het versterken en vergoten van de responsiviteit van de Nederlandse economie op de lange termijn. Het verdienvermogen van Nederland zal gebaseerd zijn op menselijk kapitaal, op kennis en kunde en op het continu kunnen aanpassen van beide aan nieuwe situaties. Daarvoor is het cruciaal dat kennis kan circuleren, mensen hun capaciteiten kunnen vergroten en werk en leren met elkaar verbonden worden.’ Ook hier: niet alleen wordt duidelijk gemaakt wat er moet gebeuren, maar ook hoe het moet gebeuren. Dubbele perfectie dus: in visie èn uitvoering. En dat tegen de achtergrond van de notie dat in een steeds transparanter en onderling verweven wordende wereld, waarin talloze economieën met een historische achterstand in zeer rap tempo dichterbij komen, het verschil schuilt in de details, dus in de perfecte uitvoering.

Bij de HAN heb ik het afgelopen jaar als kwartiermaker en interim-directeur mogen bouwen aan het zgn. Centrum voor Valorisatie en Ondernemerschap (CvVO), helemaal in de geest van het WRR-rapport: ‘kennisinstituten zo organiseren dat ze voldoende interacteren met hun omgeving om kennis structureel alle kanten op te laten stromen’. Ik werd nog enthousiaster over waar wij mee bezig zijn na het lezen van de volgende passage in het WRR-rapport: ‘Wat we voor elkaar moeten zien te krijgen is kennisontwikkeling gebaseerd op samenspraak, waarbij maatschappelijke vragen aanleiding vormen tot onderzoeksvragen, en waarbij deze kennis aan verschillende partijen in de samenleving ter beschikking wordt gesteld – waarbij alle mogelijke disciplines een rol kunnen spelen, van materiaalkunde tot sociale psychologie.’ Want met onze projecten rond actuele thema’s als ‘zorg’, ‘huisvesting’ en ‘ondernemerschap’ zitten we ook op dat spoor.

Heb ik dan helemaal geen zorgen? Toch wel, en dan met name over drempels die een perfecte uitvoering van een perfect plan belemmeren: hoe om te gaan met de spanning tussen onderwijs- en valorisatieprocessen, met de spanning tussen lange-termijngerichtheid en korte-termijnfinanciering, met de spanning tussen keuzes moeten maken en alles interessant vinden, met de spanning tussen relatie- en doelgerichtheid. Gelukkig zie ik veel mensen om mij heen die het meer dan de moeite waard vinden om dagelijks hun bed uit te komen om deze Echternacher processie voort te zetten.  Want dat is het: twee stappen vooruit, één achteruit.

Tot slot een in elk geval voor mij geweldige eyeopener uit het WRR-rapport. Ons handelssucces in de zeventiende eeuw is niet zozeer het gevolg van ons collectieve instinct om de wereld te verkennen, maar simpelweg het gevolg van een technologische doorbraak. Een timmerman ontwikkelde een krukas om de ronddraaiende beweging van een molen om te zetten in een heen-en-weer beweging van de zaag. Zagen werd daardoor maar liefst veertig keer zo productief, waardoor scheepswerven in Nederland een schip in negen maanden konden bouwen, iets wat men in andere landen in het geheel niet vermocht. Zo werd de Nederlandse handelsvloot in korte tijd groter dan die van Portugal, Spanje, Engeland en Frankrijk bij elkaar. Niets nieuws onder de zon dus: alleen multidisciplinaire (technologische) doorbraken gericht op het oplossen van maatschappelijke vraagstukken leiden tot groei van het verdienvermogen van Nederland. Dit is geen stip op de horizon, maar de weg die we dagelijks moeten bewandelen.

Peter de Leeuwerk

Blanco…

Written by Roeland Buijsse. Posted in Blogs

Nu de Europese verkiezingen een maand achter ons liggen, is het spel gestart over de invulling van belangrijke posities. De grootste troef is het voorzitterschap van de Europese Commissie. Door een tijdelijke coalitie van het Europees parlement en Angela Merkel lijkt Juncker de post te krijgen. Grootste tegenstander van de benoeming van Juncker, David Cameron, gebruikt een argument waarom de keuze voor Juncker vanuit Brits perspectief niet te verantwoorden is. De Britten hebben namelijk niet op Juncker kunnen stemmen, omdat er geen Europese lijsten zijn. Ik deel dit. Sterker nog, het ontbreken van Europese lijsten is de reden dat ik altijd blanco stem bij de Europese verkiezingen. Ik heb namelijk geen idee waar ik op stem.

De Europese verkiezingen hebben iets raars. Je brengt een stem uit op een partij, die meestal onderdeel gaat uitmaken van een politieke stroming. Daarnaast breng je een stem uit op een Nederlander. Dit kan niet anders. Politicologen noemen dit een voorbeeld van cross-cutting cleavages. Wat hiermee bedoeld wordt, is dat je bij normale verkiezingen een stem op een partij uitbrengt omdat je de uitgangspunten van de partij deelt, maar dat bij Europese verkiezingen het landsbelang eigenlijk nog belangrijker is. Het resultaat is dat we als kiezer geen benul hebben van de Europese ambities van de EVP of van de Socialistische fractie. We kennen eigenlijk alleen de inzet van de marginale Nederlandse inbreng in deze fracties.

En juist bij de verkiezingen wrong de schoen behoorlijk. Veel Nederlandse partijen misbruikten de landelijke kopstukken en het Nederlands belang voor een stem op, uiteindelijk, een Europese beweging. Een paar voorbeelden:

  • De verkiezingsspotjes van de SP werden ingesproken door Emiel Roemer. Volgens mij stond hij niet op de lijst.
  • Voor D66 stond Alexander Pechtold prominent met beeltenis op de campagnebus.
  • De PvdA had onnavolgbare verkiezingsspotjes als ‘Verdringing van banen? Stem PvdA in Europa’… Huh?
  • De VVD maakte het misschien wel het bontst. In hun verkiezingsspotjes kwam het woord Europa überhaupt niet voor.

Juist die landenscheidslijnen zijn het grote probleem voor Europa en de Europese gedachte. Of je nu voor of tegen een uitbreiding van Europa bent. Europese partijen met een Europees programma zijn de oplossing. Op deze partijen staan dan ook Nederlanders en je kunt de keuze maken op hen te stemmen. We kunnen dan Europese verkiezingsdebatten hebben op basis waarvan je de partij kunt kiezen met het in jouw ogen beste programma waar het gaat om de toekomstige rolinvulling en prioriteiten van Europa.

Misschien dat de argumentatie van Cameron, overigens gericht op een heel ander doel, de komst van Europese partijen kan versnellen. Ik zal dan niet meer blanco stemmen.

Roeland Buijsse

Kiezen voor een studie is niet kiezen voor een baan…

Written by Erwin van Rooijen. Posted in Blogs

Jongeren laten zich bij de keuze voor een studie steeds meer leiden door het ‘arbeidsmarktperspectief’: de concrete kans op een concrete baan. Recent onderzoek heeft dat aangetoond. De kranten staan er vol van.

Is dat begrijpelijk? Ja, in deze onzekere tijden waarin we net weer een beetje uit de economische recessie kruipen, is het begrijpelijk dat jongeren (vaak gestimuleerd door hun al dan niet traditionele ouders) kiezen voor ‘baanzekerheid’ of, zoals we steeds meer moeten zeggen: ‘werkzekerheid’.

Is het wenselijk? Ik weet het niet. De afgelopen jaren heb ik in mijn werk verschillende opdrachten mogen uitvoeren rond het thema loopbaanoriëntatie en -begeleiding (LOB). Ik ben er nu ook weer volop mee bezig: opleidings- en beroepskeuzeprocessen bij jongeren anno 2014.

Eén van de belangrijkste lessen die ik daarbij heb geleerd (mede geïnspireerd door ‘LOB goeroe’ en lector Pedagogiek van de Beroepsvorming Frans Meijers, met wie ik als jonge onderzoeker ooit mijn eerste projecten op dit thema mocht uitvoeren) is dat jongeren uiteindelijk niet kiezen op basis van informatie, maar op basis van ervaring.  Zoals Frans Meijers het in een interview eens formuleerde: “Alle leuke dingen in het leven beginnen met ervaring, pas daarna komt de theorie.”

Dwars door de conjuncturele schommelingen heen blijven de klassieke onderwijssociologische wetmatigheden daarbij van kracht: jongeren uit de lagere sociale milieus koersen zo snel mogelijk op een concreet beroep, jongeren uit de hogere milieus permitteren zich een ‘experimenteerruimte’ waarbinnen ze kunnen onderzoeken wat ze echt willen (‘iets met mensen, iets met marketing … ?’). Dit is, enigszins gechargeerd, het patroon tijdens economische voorspoed. Bij economische neergang gaan ook meer hoger (voor)opgeleide jongeren voor ‘zekerheid’. Dat is wat we nu zien.

Maar hoe zeker is deze vermeende zekerheid? Feit blijft dat het onderwijs altijd opleidt voor ‘de arbeidsmarkt van morgen’. Dat is geen verwijt aan het onderwijs. Dat is onvermijdelijk. Opleiden kost nou eenmaal tijd. Hoewel onderwijs en bedrijfsleven steeds meer gezamenlijk optrekken bij het opleiden van jongeren, heeft de arbeidsmarkt altijd gisteren de gekwalificeerde medewerkers nodig, die het onderwijs pas morgen kan leveren.  Kortom: de veronderstelde baanzekerheid is altijd maar relatief en bovendien conjunctuurgevoelig.

Mijn advies aan jongeren, die ‘moeten’ kiezen voor een studie (en dat zeg ik ook tegen mijn eigen kinderen van negentien en bijna zeventien): volg je hart, zoek uit waar je affiniteit en je talenten liggen en dan kristalliseert dat ‘beroep’ dat jij straks gaat uitoefenen zich echt wel uit. Een calculerende burger kan je altijd nog worden

Ik ging zelf geschiedenis studeren, omdat ik geschiedenisleraar wilde worden. Op de keurige (toen nog) upper class school waar ik zat werd ik geïnspireerd door mijn jonge, rebelse geschiedenisleraar: lang haar, baard, gebroken geweertje op de revers, wist alles van het marxisme. Dat wilde ik ook. Na een half jaar universiteit wilde ik al geen leraar in het voortgezet onderwijs meer worden. Ik werd onderzoeker en docent aan de universiteit, ik werd adviseur, ik werd procesbegeleider in de wereld van onderwijs en arbeidsmarkt. Maar ik heb geen dag spijt gehad van de mooie studie die ik heb gevolgd. Iedere dag pluk ik daarvan nog de vruchten, zowel in mijn werk als daarbuiten. Ik ben er trots op om een ‘verdwaalde historicus’ te zijn.

Mijn advies aan beleidsmakers op dit terrein: verplaats je weer even in de zeventienjarige die je ooit was en lees deze blog dan nog een keer.

Erwin van Rooijen