Decentraliseren met vertrouwen…

Written by Peter de Leeuwerk. Posted in Blogs

Hoe zal 1 januari 2015 de geschiedenisboeken ingaan? Als het einde van de beklemmende alleenheerschappij van ‘Den Haag’ in het sociale domein of als het begin van een periode van willekeur en rechteloosheid van hen die van zorg aan aandacht afhankelijk zijn: onze jeugd en hun verzorgers, ouderen en langdurig zieken en mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt. Feit is dat de Grote Decentralisaties die op 1 januari van kracht zijn, een historische trendbreuk markeren, een trendbreuk van de ‘zorgzame overheid’ naar de zelfredzaamheid van individuen en de gemeenschappen waarvan zij onderdeel uitmaken. Onvermijdelijk of niet.

Je kunt geen krant of tijdschrift openslaan, geen praatprogramma beluisteren of seminar bijwonen of het gaat over de hervormingen in het sociaal domein. Gelardeerd met tranentrekkende incidenten, tot aan het privédomein van de verantwoordelijke staatssecretaris zelf toe, wordt een periode van grote rampspoed in het vooruitzicht gesteld. En in veler ogen zou dat het directe gevolg zijn van de decentralisaties: er is veel te weinig geld beschikbaar, de gemeenten hebben de mensen en deskundigheid niet, er ontstaat ongelijke behandeling in gelijke situaties, de verzekeraars krijgen alle macht, het ontstaan van wijkteams zorgt opnieuw voor bureaucratisering, maar nu op lokaal niveau, enzovoort, enzovoort. Afijn, u heeft het zelf ook allemaal kunnen lezen en horen. Aan een bewindspersoon die durft te zeggen dat het allemaal best mee zal vallen en dat het nu eenmaal noodzakelijk is, valt de nodige hoon ten deel: ‘nu gaat hij het ook nog bagatelliseren!’.

Dankzij een van mijn favoriete beschouwers van ontwikkelingen in het politieke en maatschappelijke domein, NRC-columnist Marc Chavannes, stuitte ik in mijn zoektocht naar achtergronden en betekenissen op een recente lezing van prof. dr. Wim van de Donk thans commissaris van de Koning in Noord-Brabant), de 11e ROB lezing gehouden op 12 november jl. De titel van deze lezing luidt: ‘De centralisatie in openbaar besturen, over dunne denkramen, pertinente pragmatiek en ambivalente ambities’. Als tegenwicht tegen incident-gedreven populisme m.i. verplichte kost. Ik doe de inhoud ongetwijfeld ernstig te kort, maar wat mij is bijgebleven is het volgende. Veel te weinig wordt onderkend dat zorg een zgn. relational good is: een goed dat in feite pas ontstaat in de interactie tussen zorgvrager en zorgverlener. Het is dus geen goed dat zo maar op een simpele markt kan worden verhandeld of kan worden dichtgetimmerd door wet- en regelgeving. Zeker in periodes van grote onzekerheid – en daarin leven we nu eenmaal – is essentieel onderdeel van de decentralisatievraag ‘hoe politiek, samenleving en bestuur om moeten gaan met de onverwachte gevolgen die voortkomen uit interactie, interdependenties en de interferenties die inherent zijn aan complexe systemen’. En juist dat ziet de centrale overheid categorisch over het hoofd, zo stelt hij. Er wordt a.h.w. centralistisch gedecentraliseerd, vanuit het bestaande denkraam van de centrale overheid. Hij refereert aan het ‘dochter op kamers syndroom’: wel op kamers maar elke avond bellen. Alleen al door te suggereren dat de vinger aan de pols wordt gehouden en ‘fouten’ zullen worden ‘hersteld’ (in de praktijk meestal op basis van de door de media uitvergrote incidenten), ontneemt dit de vele partijen die in gezamenlijkheid het ‘product’ zorg dagelijks tot stand brengen, de adem om vanuit een ander kader te gaan denken en handelen. Daardoor wordt een fundamentele herinrichting van de zorg eerder geblokkeerd dan bevorderd en bereikt de centrale overheid het tegenovergestelde van wat zij wil. Want, zo stelt Van de Donk, ’we zullen moeten accepteren dat de vele maatschappelijke organisaties, professionals, ondernemers en niet te vergeten de burger zelf, een doorslaggevende rol gaan spelen in de vormgeving van de zorg en de participatie in arbeid en samenleving’. Een overheid die dit niet uitdraagt, neemt zijn burgers dus niet serieus.

Behalve dit inzicht is er daarvoor maar één ding nodig: vertrouwen. Vertrouwen dat partijen, met vallen en opstaan, uiteindelijk oplossingen bedenken die goed en haalbaar zijn. Vanuit onze optiek gezien – we komen bij veel gemeenten en zorgverleners over de vloer – is er ook alle reden om dit vertrouwen te hebben. Op veel plaatsen is het afgelopen jaar keihard gewerkt aan het voorbereiden van de majeure decentralisaties, vanuit een enorm verantwoordelijkheidsgevoel en met een grote toewijding. En tegelijkertijd is men realistisch genoeg om in te zien dat er dingen zullen mislopen en zullen moeten worden hersteld. De grootste succesfactor hierbij is de mate waarin ‘men’ – gemeenteraden, toezichthouders, media – de reflex weten te vermijden dat ‘dit niet had mogen gebeuren’ en dus straffen moeten worden uitgedeeld. Want dat zou de lef in de kiem smoren en ertoe leiden dat het gesprek over de verkeerde onderwerpen gaat.

In mijn rol als voorzitter de Raad van Commissarissen van UW, het sociale werkbedrijf van Utrecht, ben ik nauw betrokken bij het transitieproces ten gevolge van de invoering van de Participatiewet (een van de Grote Decentralisaties). Voor nieuwe WSW-ers is de deur definitief op slot, de rijksbijdrage per arbeidsplaats daalt jaarlijks met vele procenten, ‘ineens’ draagt de organisatie medeverantwoordelijkheid voor geheel andere doelgroepen (ook de WA-jongpopulatie en bijstandsgerechtigden) en moet de organisatie met andere partijen gaan samenwerken dan voorheen en ga zo maar door. Hoewel de toekomst ongewis is en onderweg nog veel moet worden opgelost: UW is er wel klaar voor. Menig onderneming zou zich bij zo’n game changer achter de oren moeten krabben. En overigens niet alleen op eigen kracht; ook de gemeente Utrecht heeft op basis van een heldere visie en vertrouwen in de bedrijfsvoering van UW daaraan stevig bijgedragen. Een prachtig voorbeeld van hoe lokale partners nieuwe wegen vinden.

Is er dan geen vuiltje aan de lucht? Helaas wel. Wat ons steeds vaker opvalt, is dat steeds minder mensen steeds meer moeten doen. Bestuurders, managers en medewerkers krijgen het steeds zwaarder. Misschien onvermijdelijk, maar niet zonder gevaar. Gevaar voor de organisaties, maar vooral ook voor de mensen die het moeten doen. Dat zien we dan ook bij onze opdrachtgevers en hun mensen: velen zijn hijgend op weg naar de Kerstdagen. Daarom sluit ik graag af met een persoonlijke kerstwens: rust even uit, neem de tijd om je hoofd leeg te maken en geniet een paar dagen van wat echt belangrijk is in het leven. Om daarna goed uitgerust alle creativiteit en energie aan te boren om onze maatschappij opnieuw in te richten. Want dat is in essentie de opdracht waarvoor we de komende jaren staan.

 

Peter de Leeuwerk

 

 

 

 

 

 

 

Zomerdromen over perfectie…

Written by Peter de Leeuwerk. Posted in Blogs

Wat hebben het boek ‘De Cirkel’ van David Eggers, mijn recente bezoek aan IKEA, het WRR-rapport ‘Naar een lerende economie’ en mijn huidige interim-functie bij de Hogeschool voor Arnhem en Nijmegen (HAN) met elkaar te maken? In elk geval het moment waarop zij in mijn gedachtewereld samenkomen: in de vrije denkruimte die ik elk jaar opnieuw ervaar wanneer mijn vakantie erop zit en de meeste anderen nog weg zijn, op mijn racefiets zoevend over de Betuwse dijken, in mijn achtertuin of in leeg kantoor met Radio4 op de achtergrond. Vaak ongestructureerde flarden van gedachten, waarvan ik naarmate de tijd vordert steeds meer het vermoeden krijg dat er een samenhang tussen bestaat en waarvan ik vermoed dat de cirkel zich als vanzelf sluit zodra ik het ga opschrijven.

Laat ik daar dan ook maar mee beginnen. Het boek ‘De Cirkel’ is een veel besproken Amerikaanse roman waarin aan de hand van de belevenissen van een jonge vrouw een moderne versie van George Orwell’s ‘1984’ gestalte krijgt (u heeft het vast gelezen, want ik kreeg het gevoel dat ik een van de laatsten was). Weliswaar slecht geschreven (volgens mij heet de schrijver gewoon tante Betje), maar daarom niet minder beklemmend belichtend hoe jaloersmakende perfectie geruisloos overgaat in angstaanjagende perversie. En over perfectie gesproken: zoals (bijna) elke ouder met jong volwassen kinderen mocht ik deze zomer mijn fysieke en financiële draagkracht inzetten bij de bekende Zweedse meubelsupermarkt. Bewondering om zo veel slimheid en irritatie over de massaliteit streden om de overwinning. Bijna had de eerste gewonnen, totdat enkele zorgvuldig door mijn dochter geselecteerde artikelen toch niet op voorraad bleken te zijn. Want er hoeft niet veel te gebeuren om de belofte van perfectie in haar tegendeel te doen veranderen. Een perfect concept vereist nu eenmaal een meer dan perfecte uitvoering. Afgelopen voorjaar verscheen het veel- (maar helaas kort-)besproken WRR-rapport ‘Naar een lerende economie’. Ik had het stellige voornemen om mij er in de zomer in te verdiepen. Aldus geschiedde. Dit m.i. perfecte rapport betoogt het volgende: ‘Veranderingen op het gebied van de capaciteiten van mensen en instituties bieden de meeste kansen voor het versterken en vergoten van de responsiviteit van de Nederlandse economie op de lange termijn. Het verdienvermogen van Nederland zal gebaseerd zijn op menselijk kapitaal, op kennis en kunde en op het continu kunnen aanpassen van beide aan nieuwe situaties. Daarvoor is het cruciaal dat kennis kan circuleren, mensen hun capaciteiten kunnen vergroten en werk en leren met elkaar verbonden worden.’ Ook hier: niet alleen wordt duidelijk gemaakt wat er moet gebeuren, maar ook hoe het moet gebeuren. Dubbele perfectie dus: in visie èn uitvoering. En dat tegen de achtergrond van de notie dat in een steeds transparanter en onderling verweven wordende wereld, waarin talloze economieën met een historische achterstand in zeer rap tempo dichterbij komen, het verschil schuilt in de details, dus in de perfecte uitvoering.

Bij de HAN heb ik het afgelopen jaar als kwartiermaker en interim-directeur mogen bouwen aan het zgn. Centrum voor Valorisatie en Ondernemerschap (CvVO), helemaal in de geest van het WRR-rapport: ‘kennisinstituten zo organiseren dat ze voldoende interacteren met hun omgeving om kennis structureel alle kanten op te laten stromen’. Ik werd nog enthousiaster over waar wij mee bezig zijn na het lezen van de volgende passage in het WRR-rapport: ‘Wat we voor elkaar moeten zien te krijgen is kennisontwikkeling gebaseerd op samenspraak, waarbij maatschappelijke vragen aanleiding vormen tot onderzoeksvragen, en waarbij deze kennis aan verschillende partijen in de samenleving ter beschikking wordt gesteld – waarbij alle mogelijke disciplines een rol kunnen spelen, van materiaalkunde tot sociale psychologie.’ Want met onze projecten rond actuele thema’s als ‘zorg’, ‘huisvesting’ en ‘ondernemerschap’ zitten we ook op dat spoor.

Heb ik dan helemaal geen zorgen? Toch wel, en dan met name over drempels die een perfecte uitvoering van een perfect plan belemmeren: hoe om te gaan met de spanning tussen onderwijs- en valorisatieprocessen, met de spanning tussen lange-termijngerichtheid en korte-termijnfinanciering, met de spanning tussen keuzes moeten maken en alles interessant vinden, met de spanning tussen relatie- en doelgerichtheid. Gelukkig zie ik veel mensen om mij heen die het meer dan de moeite waard vinden om dagelijks hun bed uit te komen om deze Echternacher processie voort te zetten.  Want dat is het: twee stappen vooruit, één achteruit.

Tot slot een in elk geval voor mij geweldige eyeopener uit het WRR-rapport. Ons handelssucces in de zeventiende eeuw is niet zozeer het gevolg van ons collectieve instinct om de wereld te verkennen, maar simpelweg het gevolg van een technologische doorbraak. Een timmerman ontwikkelde een krukas om de ronddraaiende beweging van een molen om te zetten in een heen-en-weer beweging van de zaag. Zagen werd daardoor maar liefst veertig keer zo productief, waardoor scheepswerven in Nederland een schip in negen maanden konden bouwen, iets wat men in andere landen in het geheel niet vermocht. Zo werd de Nederlandse handelsvloot in korte tijd groter dan die van Portugal, Spanje, Engeland en Frankrijk bij elkaar. Niets nieuws onder de zon dus: alleen multidisciplinaire (technologische) doorbraken gericht op het oplossen van maatschappelijke vraagstukken leiden tot groei van het verdienvermogen van Nederland. Dit is geen stip op de horizon, maar de weg die we dagelijks moeten bewandelen.

Peter de Leeuwerk

Blanco…

Written by Roeland Buijsse. Posted in Blogs

Nu de Europese verkiezingen een maand achter ons liggen, is het spel gestart over de invulling van belangrijke posities. De grootste troef is het voorzitterschap van de Europese Commissie. Door een tijdelijke coalitie van het Europees parlement en Angela Merkel lijkt Juncker de post te krijgen. Grootste tegenstander van de benoeming van Juncker, David Cameron, gebruikt een argument waarom de keuze voor Juncker vanuit Brits perspectief niet te verantwoorden is. De Britten hebben namelijk niet op Juncker kunnen stemmen, omdat er geen Europese lijsten zijn. Ik deel dit. Sterker nog, het ontbreken van Europese lijsten is de reden dat ik altijd blanco stem bij de Europese verkiezingen. Ik heb namelijk geen idee waar ik op stem.

De Europese verkiezingen hebben iets raars. Je brengt een stem uit op een partij, die meestal onderdeel gaat uitmaken van een politieke stroming. Daarnaast breng je een stem uit op een Nederlander. Dit kan niet anders. Politicologen noemen dit een voorbeeld van cross-cutting cleavages. Wat hiermee bedoeld wordt, is dat je bij normale verkiezingen een stem op een partij uitbrengt omdat je de uitgangspunten van de partij deelt, maar dat bij Europese verkiezingen het landsbelang eigenlijk nog belangrijker is. Het resultaat is dat we als kiezer geen benul hebben van de Europese ambities van de EVP of van de Socialistische fractie. We kennen eigenlijk alleen de inzet van de marginale Nederlandse inbreng in deze fracties.

En juist bij de verkiezingen wrong de schoen behoorlijk. Veel Nederlandse partijen misbruikten de landelijke kopstukken en het Nederlands belang voor een stem op, uiteindelijk, een Europese beweging. Een paar voorbeelden:

  • De verkiezingsspotjes van de SP werden ingesproken door Emiel Roemer. Volgens mij stond hij niet op de lijst.
  • Voor D66 stond Alexander Pechtold prominent met beeltenis op de campagnebus.
  • De PvdA had onnavolgbare verkiezingsspotjes als ‘Verdringing van banen? Stem PvdA in Europa’… Huh?
  • De VVD maakte het misschien wel het bontst. In hun verkiezingsspotjes kwam het woord Europa überhaupt niet voor.

Juist die landenscheidslijnen zijn het grote probleem voor Europa en de Europese gedachte. Of je nu voor of tegen een uitbreiding van Europa bent. Europese partijen met een Europees programma zijn de oplossing. Op deze partijen staan dan ook Nederlanders en je kunt de keuze maken op hen te stemmen. We kunnen dan Europese verkiezingsdebatten hebben op basis waarvan je de partij kunt kiezen met het in jouw ogen beste programma waar het gaat om de toekomstige rolinvulling en prioriteiten van Europa.

Misschien dat de argumentatie van Cameron, overigens gericht op een heel ander doel, de komst van Europese partijen kan versnellen. Ik zal dan niet meer blanco stemmen.

Roeland Buijsse

Kiezen voor een studie is niet kiezen voor een baan…

Written by Erwin van Rooijen. Posted in Blogs

Jongeren laten zich bij de keuze voor een studie steeds meer leiden door het ‘arbeidsmarktperspectief’: de concrete kans op een concrete baan. Recent onderzoek heeft dat aangetoond. De kranten staan er vol van.

Is dat begrijpelijk? Ja, in deze onzekere tijden waarin we net weer een beetje uit de economische recessie kruipen, is het begrijpelijk dat jongeren (vaak gestimuleerd door hun al dan niet traditionele ouders) kiezen voor ‘baanzekerheid’ of, zoals we steeds meer moeten zeggen: ‘werkzekerheid’.

Is het wenselijk? Ik weet het niet. De afgelopen jaren heb ik in mijn werk verschillende opdrachten mogen uitvoeren rond het thema loopbaanoriëntatie en -begeleiding (LOB). Ik ben er nu ook weer volop mee bezig: opleidings- en beroepskeuzeprocessen bij jongeren anno 2014.

Eén van de belangrijkste lessen die ik daarbij heb geleerd (mede geïnspireerd door ‘LOB goeroe’ en lector Pedagogiek van de Beroepsvorming Frans Meijers, met wie ik als jonge onderzoeker ooit mijn eerste projecten op dit thema mocht uitvoeren) is dat jongeren uiteindelijk niet kiezen op basis van informatie, maar op basis van ervaring.  Zoals Frans Meijers het in een interview eens formuleerde: “Alle leuke dingen in het leven beginnen met ervaring, pas daarna komt de theorie.”

Dwars door de conjuncturele schommelingen heen blijven de klassieke onderwijssociologische wetmatigheden daarbij van kracht: jongeren uit de lagere sociale milieus koersen zo snel mogelijk op een concreet beroep, jongeren uit de hogere milieus permitteren zich een ‘experimenteerruimte’ waarbinnen ze kunnen onderzoeken wat ze echt willen (‘iets met mensen, iets met marketing … ?’). Dit is, enigszins gechargeerd, het patroon tijdens economische voorspoed. Bij economische neergang gaan ook meer hoger (voor)opgeleide jongeren voor ‘zekerheid’. Dat is wat we nu zien.

Maar hoe zeker is deze vermeende zekerheid? Feit blijft dat het onderwijs altijd opleidt voor ‘de arbeidsmarkt van morgen’. Dat is geen verwijt aan het onderwijs. Dat is onvermijdelijk. Opleiden kost nou eenmaal tijd. Hoewel onderwijs en bedrijfsleven steeds meer gezamenlijk optrekken bij het opleiden van jongeren, heeft de arbeidsmarkt altijd gisteren de gekwalificeerde medewerkers nodig, die het onderwijs pas morgen kan leveren.  Kortom: de veronderstelde baanzekerheid is altijd maar relatief en bovendien conjunctuurgevoelig.

Mijn advies aan jongeren, die ‘moeten’ kiezen voor een studie (en dat zeg ik ook tegen mijn eigen kinderen van negentien en bijna zeventien): volg je hart, zoek uit waar je affiniteit en je talenten liggen en dan kristalliseert dat ‘beroep’ dat jij straks gaat uitoefenen zich echt wel uit. Een calculerende burger kan je altijd nog worden

Ik ging zelf geschiedenis studeren, omdat ik geschiedenisleraar wilde worden. Op de keurige (toen nog) upper class school waar ik zat werd ik geïnspireerd door mijn jonge, rebelse geschiedenisleraar: lang haar, baard, gebroken geweertje op de revers, wist alles van het marxisme. Dat wilde ik ook. Na een half jaar universiteit wilde ik al geen leraar in het voortgezet onderwijs meer worden. Ik werd onderzoeker en docent aan de universiteit, ik werd adviseur, ik werd procesbegeleider in de wereld van onderwijs en arbeidsmarkt. Maar ik heb geen dag spijt gehad van de mooie studie die ik heb gevolgd. Iedere dag pluk ik daarvan nog de vruchten, zowel in mijn werk als daarbuiten. Ik ben er trots op om een ‘verdwaalde historicus’ te zijn.

Mijn advies aan beleidsmakers op dit terrein: verplaats je weer even in de zeventienjarige die je ooit was en lees deze blog dan nog een keer.

Erwin van Rooijen

Gemeenteraadsverkiezingen…

Written by Roeland Buijsse. Posted in Blogs

Gemeenteraadsverkiezingen  1
Mijn voormalig docent politicologie stemt nooit. Nooit gedaan ook. In eerste instantie was dit onbegrijpelijk voor ons als politicologen in spe, maar zijn redenering was dat zijn stem statistisch gezien nooit doorslaggevend was en hij dus met stemmen geen politieke invloed kon hebben. Met andere woorden, hij vond het nutteloos. Ik dacht hier aan toen ik de advertenties en discussies zag over het bevorderen van de opkomst voor de komende gemeenteraadsverkiezingen. Politici maken zich zorgen over een opkomst waarvan de verwachting is dat deze lager wordt dan ooit. Een aantal gemeenten investeert fikse bedragen (Amsterdam € 400K, begreep ik) voor opkomstbevordering. Ik wil dit helemaal niet. Niet alleen vind ik het verspilling van geld en absoluut geen gemeentelijke taak. Maar bovenal, de redenering van mijn voormalig docent in herinnering halend, hoe hoger de opkomst, hoe kleiner de waarde van mijn stem. Wat mij betreft blijft iedereen thuis, breng ik als enige mijn stem uit. Natuurlijk begrijp ik wel dat een hoge opkomst belangrijk is voor de democratie, maar dan moeten partijen maar duidelijk maken dat er iets te kiezen is. Politicologen zijn machtsdenkers. Voor ons zijn opkomstbevorderende maatregelen contrair aan wat wij als stemmers met onze stem willen realiseren: invloed.

Gemeenteraadsverkiezingen 2
Een manier waarmee gemeenten de opkomst willen bevorderen en burgers willen informeren, zijn stemwijzers. Stellingen beantwoorden en je krijgt een advies over welke partij het dichtst bij je opvattingen ligt. Op zich een nuttig instrument. Althans voor de landelijke verkiezingen. Voor de raadsverkiezingen gaat het nergens over. De reden is dat in de verkiezingsprogramma’s van de partijen op lokaal niveau niet of nauwelijks begrotingen staan. De programma’s zijn in feite wensenlijsten, geen rekening houdend met de financiële gevolgen. Ik weet nog goed dat bij de partij waar ik ooit lid van was op een alv het verkiezingsprogramma werd besproken. In het programma stond een bezuiniging opgenomen op cultuur. Tijdens de vergadering werd deze bezuiniging door de ledenvergadering uit het programma geamendeerd. De opgenomen bezuiniging werd echter niet opnieuw ingevuld. De partijleider sprak hier achteraf zijn verbazing over uit, maar voegde er aan toe dat ze toch ook eigenlijk gek waren om een bezuiniging als deze op te nemen. Geen enkele partij deed het. Wat mij betreft is de functie van een verkiezingsprogramma vooral een document waarmee je de collegeonderhandelingen in gaat. Zeker geen document om stemwijzers mee te vullen om objectief advies te krijgen over welke partij het beste bij je past. Dat is een illusie.

Roeland Buijsse

Onderwijs en bedrijfsleven samen vooruit…

Written by Erwin van Rooijen. Posted in Blogs

Ik blijf me erover verbazen. Waarom is het voor het onderwijs en het bedrijfsleven nog steeds zo moeilijk om zich in elkaar te verplaatsen? Waarom is er zo veel wederzijds onbegrip? Waarom zijn er nog steeds de bekende en voorspelbare vooroordelen? Het thema en de problematiek zijn zo oud als de weg naar Rome.

‘Ze kunnen nog geen hamer vasthouden als ik ze hier binnen krijg …’.
‘Bedrijven hebben er geen idee van hoe het op een school werkt, wij hebben wel eerst tijd nodig om onze leerlingen op te leiden …’.
‘Zelfs de meest basale sociale vaardigheden hebben ze niet: op tijd op het werk zijn, correcte kleding …’.

In mijn werk kom ik het nog regelmatig tegen, dit type uitspraken. Voor een deel begrijp ik het wel. Het is inderdaad zo dat het (beroeps)onderwijs opleidt voor ‘de arbeidsmarkt van morgen’, terwijl het bedrijfsleven vandaag en het liefst gisteren jonge mensen nodig heeft met de thans benodigde competenties en vaardigheden. Het competentiegericht onderwijs (een combinatie van kennis, vaardigheden en gedrag) probeert tegemoet te komen aan deze behoefte, maar kan dit slechts ten dele.  En natuurlijk zijn het andere werelden met verschillende culturen, verschillende mensen, verschillende deelbelangen. Ik zeg nadrukkelijk deelbelangen, omdat er op de eerste plaats natuurlijk een overkoepelend gezamenlijk belang is: een goed functionerende kenniseconomie en een daarmee samenhangende, goed functionerende arbeidsmarkt. Dat weet men ook wel van elkaar. Maar het blijft lastig, het blijft schuren.

Toch is er alle reden tot optimisme. Ik zie in mijn werk zeker ook de nodige vooruitgang in de vele, creatieve en innovatieve pogingen van onderwijs en bedrijfsleven om daadwerkelijk bruggen te slaan, om de samenwerking te verbeteren en te intensiveren. Er zijn steeds meer activiteiten en projecten waarbij onderwijs en bedrijfsleven wel degelijk naar elkaar toe groeien, elkaar beter proberen te begrijpen en de handen ineen slaan. Dat is goed om te zien en het is mooi om daaraan een bijdrage te mogen leveren.

Zo werk ik regelmatig voor Het Platform Beroepsonderwijs (HPBO), dat verantwoordelijk is voor de uitvoering van het Innovatiearrangement: VMBO scholen, ROC’s, Hogescholen en bedrijven werken samen aan innovatieve projecten, die gericht zijn op een betere aansluiting van het beroepsonderwijs op de arbeidsmarkt, een betere doorstroom van leerlingen in de beroepskolom en aantrekkelijker en competentiegericht onderwijs. In totaal zijn er 180 projecten in vele soorten en maten, variërend van ‘het puberbrein als innovatiekans’ tot ‘fashion connection: samenwerken in de modeketen’. Het is buitengewoon inspirerend om leerlingen, professionals uit het onderwijs en uit het bedrijfsleven enthousiast te horen vertellen over de geboekte resultaten en om hen te begeleiden in het delen van kennis en ervaringen. Dat laatste gebeurt in een reeks door het HPBO gefaciliteerde masterclasses onder de titel ‘Vermogen tot Vernieuwen’.
Ook heb ik de laatste tijd gewerkt voor TechniekTalent.nu, een samenwerkingsverband van werknemers- en werkgeversorganisaties voor acht technische bedrijfstakken met maar één doel: meer instroom en behoud van (jonge) mensen in de techniek. In vele projecten en samenwerkingsverbanden trekken onderwijs en bedrijfsleven samen op vanuit deze gedeelde ambitie. Als adviseur heb ik binnen TechniekTalent.nu gewerkt rond het programma Technet, dat de regionale samenwerking tussen bedrijven, basisonderwijs en (V)MBO scholen bevordert. Hier werd ik ook aangenaam verrast door de betrokkenheid en bevlogenheid van de verschillende betrokken partijen uit onderwijs en bedrijfsleven.

Natuurlijk is er nog steeds onbegrip, natuurlijk zijn er nog steeds vooroordelen en cultuurverschillen, natuurlijk blijven onderwijs en bedrijfsleven verschillende werelden. Maar de vele ‘best practices’ die gericht zijn op samenwerking en wederzijds begrip stemmen mij hoopvol. Het inspireert mij dan ook om in mijn werk een bijdrage te kunnen leveren aan deze samenwerking. Onderwijs en bedrijfsleven moeten en kunnen samen vooruit.

Erwin van Rooijen

Minder is Meer…

Written by Erwin van Rooijen. Posted in Blogs

In mijn werk als adviseur gaat het vaak om kennis, tempo, planning, actie, scherpe analyses, sterke verbale vaardigheden en stressbestendigheid in een hectische omgeving. Wij werken veel ‘met het hoofd’, zoals dat heet. Juist daarom is het zo belangrijk om af en toe even een stapje opzij (niet terug) te zetten, de stilte op te zoeken, te luisteren naar het hart en te reflecteren op wat ons nou echt drijft. Dat heb ik onlangs weer mogen ervaren tijdens de driedaagse retraite en training ‘Minder is Meer’. Een mooie start van het nieuwe jaar.

‘Minder is Meer’ wordt aangeboden en begeleid door Springteam (www.springteam.info). Hier heb ik de afgelopen jaren verschillende trajecten gevolgd in het kader van ‘zelfonderhoud’, zo nodig voor ons als mens en dus ook als professional. Dat ‘zelfonderhoud’ raad ik iedereen van harte aan.

Minder is Meer is ‘werken in de Werkplaats voor de Geest’, zoals Springteam het noemt.

“Ben jij iemand die op de één of andere manier contact heeft met je diepste weten, maar tegelijkertijd voelt dat het allemaal zo vluchtig is, zo onderhevig aan het tempo van moeten, doen en acties? Dan heb je wellicht behoefte om vanuit stilte tot bezinning op dit diepste weten te komen”,

zo is te lezen op de website van Springteam. Daarover gaat ‘Minder is Meer’. Het gaat over verdieping.

Naast enkele meditatieve en spirituele oefeningen komen ook de werkgerelateerde verhalen aan bod. In een kleine groep met gelijkgestemden wordt alle tijd en rust genomen om wezenlijke zaken tot in de kern uit te diepen. Soms lijkt het op intervisie, soms zijn het gewoon intensieve gesprekken. Het is leren van elkaar en van jezelf. Ook is er volop ruimte voor ontspanning, creativiteit, beweging, vrije tijd en stilte. De retraite vond plaats op het prachtige landgoed Welna, midden op de Veluwe. De ideale omgeving voor deze vorm van training en introspectie.

Wat voeg ik als mens en dus ook als adviseur nou echt toe aan de wereld? Waarom ‘doe ik ertoe’? Waarom willen anderen met mij samen zijn, samen met mij werken?

Met deze en andere vragen begon ik aan de training. Geen vragen met vastomlijnde antwoorden. Wel ontwikkelt zich gedurende de training een beeld van de richting en de inspiratiebronnen in jezelf waaruit mogelijke antwoorden zich aandienen en ontvouwen. Die ervaring gun ik iedereen en wil ik ook graag met anderen delen.

Het ‘grote werk’ is nu om de ervaringen en inzichten vast te houden, ook in de waan en hectiek van de dagelijkse praktijk. Door periodiek zelfonderhoud groei ik als mens, groei ik als professional. Daardoor kan ik iets toevoegen aan de wereld. Want Minder is Meer.

Erwin van Rooijen

Hart voor de publieke zaak

Written by Peter de Leeuwerk. Posted in Blogs

Zo luidt onze zogenaamde  ‘pay-off’. Hij staat op ons briefpapier, onze sheets, onze site en ga zo maar door. Hoewel ook wij, zeker in een complexe opdracht waarin veel weerstanden moeten worden overwonnen en het soms lijkt alsof persoonlijk belang groter is dan maatschappelijk belang, wel eens de neiging hebben om ‘hart’ als ‘hard’ te willen lezen, is dat al vier jaar lang de kern van een groot deel van ons werk: het met hart en ziel ondersteunen van mensen en organisaties die de publieke zaak dienen, het cement tussen de stenen van onze samenleving.

Onze Nationale Ombudsman Alex Brenninkmeijer – de man die op zo’n treffend ingetogen manier de gevestigde bestuurlijke orde uit het veld weet te slaan – hield afgelopen week zijn afscheidsrede. Hij stelde dat burgers voor politici schimmige wezens zijn, die ze vooral langs zien komen via de sociale media of te dom zijn om te doen wat de overheid van hen verlangt (bijv. het CPB verslaan). “We hebben behoefte aan politici die burgers de ruimte geven en vervolgens op hun handen durven zitten”, zo betoogt hij.

Maar wat moeten wij dan als de overheid zelf zich in een harteloze staat bevindt? En voor wie het compromis niet meer een middel maar een doel op zichzelf is geworden? Decentraliseren van beleid en uitvoering kan prima werken, maar niet als tal van second thoughts, inconsistente maatregelen gebaseerd op uitvergrote incidenten, te weinig middelen en veel te late duidelijkheid een goede uitvoering op voorhand in de weg staan. Zie de langdurige zorg, mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt, het pensioenbeleid en ga zo maar door. Op zijn zachts gezegd verdient het allemaal geen schoonheidsprijs en houden velen hun hart vast over hoe dit straks in praktijk moet worden gebracht.

Maar over welke overheid heeft Brenninkmeijer het eigenlijk? Het antwoord gaf hij zelf: “Den Haag moet bereid zijn om te zwijgen”. Over lagere overheden (en burgers) steekt hij zelfs de loftrompet. Zo stelt hij dat de meeste overheidsinstanties ernaar streven de burger fatsoenlijker en rechtmatig te behandelen. Ook de tevredenheid van de burgers over de Nederlandse overheid is de laatste jaren toegenomen.  De vele pogingen, hoe moeilijk ze ook zijn, die gemeenten en gemeentelijke samenwerkingsverbanden, waterschappen, woningbouwcorporaties en  onderwijs- en cultuurinstellingen doen, zorgen ervoor dat ons hart voor de publieke zaak blijft kloppen. Misschien als nooit tevoren, want de opgaven zijn immens en de middelen beperkt.

Afgelopen week ontving ik een keurige brief van mijn eigen gemeente (Overbetuwe). In een smalle groenstrook voor mijn huis staan – al 20 jaar – twee rijen bomen: een rij grote en een rij minder grote. De kleintjes raken wat in de verdrukking, reden waarom de gemeente heeft besloten deze te kappen. De brief bevatte onder meer de passage ‘waarschijnlijk voelt u zich er door overvallen’. Nadat ik de gedachte van mij had afgeworpen dat ik het heel erg moest vinden – een blik naar buiten was daarvoor voldoende – dacht ik: wat een klasse van mijn gemeente. Goede informatie en ook nog rekening houdend met mijn gevoel. Wat mag een burger nog meer verwachten.

Met het gevoel dat in het huidige tijdsgewricht de publieke zaak belangrijker is dan ooit èn dat, ondanks alle incidenten, veel meer goed gaat dan verkeerd, rusten wij een paar weken uit om daarna met vernieuwde energie ons wederom hard te maken voor bestuurders, ambtenaren en leraren  met hart voor de publieke zaak.

Wij wensen u goede Kerstdagen en een voorspoedig 2014.

Peter de Leeuwerk

Privacy

Written by Roeland Buijsse. Posted in Blogs

Er is wat ophef ontstaan over de nieuwe bonuskaart van Albert Heijn. Waar de huidige bonuskaart anoniem is en dus het koopgedrag van alle klanten gezamenlijk meet, is de nieuwe bonuskaart persoonlijk. Dit betekent dat je alleen toegang tot kortingen krijgt als je je koopgedrag laat monitoren. Deze informatie is immers geld waard. De korting is de wederdienst. Er is kritiek op de handelwijze van Albert Heijn omdat het inbreuk op de privacy maakt. Ik vind dit wel meevallen. Ten eerste kun je zelf kiezen of je naar Albert Heijn gaat of naar een andere supermarkt. En als je besluit om naar Albert Heijn te gaan dan kun je zelf bepalen of je wel of geen bonuskaart gebruikt. Ten tweede vermoed ik dat Albert Heijn tamelijk prudent met de informatie om zal gaan. Het is alleen voor eigen gebruik. Albert Heijn zal de informatie niet verkopen en zo te gelde maken.

Dit laatste wordt wel gedaan door bedrijven als Facebook en Google. Websites en mailaccounts waar we met z’n allen alle informatie op gooien en de wijde wereld insturen. Privacy? Hoor je nooit iemand over.

Het lijkt me meten met twee maten en doet me denken aan een ervaring die ik jaren geleden had in een HBO instelling. Ik was ingehuurd om de implementatie van Studielink, een digitale aanmeldmodule voor studenten, te begeleiden. In één van de gesprekken met een opleidingsmanager op haar kamer meldde zij dat ze Studielink niet zo zag zitten omdat de gegevens van studenten dan niet meer veilig waren. We spraken daar even over, totdat zij een telefoontje kreeg en werd weggeroepen. Ik bleef alleen op haar kamer achter. Althans, samen met het studentarchief dat in een kast naast de deur zat met een grote sticker met ‘studentdossiers’ erop. Ik kon het niet laten om even te controleren of de deur van de kast op slot zat. Dit was niet het geval. Ons gesprek over bescherming van privacygevoelige informatie werd na haar terugkomst een stuk makkelijker.

Roeland Buijsse

Onderwijsakkoord 2013: en nu het optimisme vasthouden!

Written by Erwin van Rooijen. Posted in Blogs

Het Nationaal Onderwijsakkoord 2013 is een belangrijke stap vooruit. Het is alleen jammer dat de AOB (nog) niet getekend heeft. Het is van groot belang dat de onderwijssector op alle fronten weer nieuwe perspectieven wordt geboden: de nullijn van tafel, nieuwe werkgelegenheid (3.000 jonge docenten erbij), meer en betere carrièremogelijkheden voor jonge en minder jonge leerkrachten, flexibiliteit op de onderwijsarbeidsmarkt, meer tijd voor professionalisering en nascholing, innovatie en bovenal natuurlijk investeren in de kwaliteit van het onderwijs. Ook ik heb het akkoord nog niet kunnen lezen (dat kan pas na Prinsjesdag), maar er lijken over de hele linie belangrijke overeenkomsten te zijn gerealiseerd. In totaal steekt het kabinet bijna 700 miljoen euro extra in het onderwijs. Dat stemt optimistisch.

Voor alle betrokken partijen is het hierbij nu dé grote uitdaging om niet terug te vallen in de ‘oude reflexen’ en het soms wat verongelijkte gezeur, dat ik in mijn werk toch nog regelmatig tegenkom in onderwijsland (hoewel ik dit vaak ook wel begrijp, geen misverstand daarover).

Het is zaak om het optimisme vast te houden en te vertalen in concrete acties en CAO-afspraken.

Werkgevers en werknemers in het primair onderwijs hebben op dit punt een belangrijke stap voorwaarts gezet. Voor de zomer hebben zij gezamenlijk een grote interactieve dialoog met het veld georganiseerd om daarmee input te genereren voor de komende CAO-onderhandelingen, die moeten leiden tot een nieuwe, meer eigentijdse CAO. Het was voor mij een groot voorrecht en een professioneel feestje om als facilitator een bijdrage te mogen leveren aan dit traject onder de vlag “Mijn werk, Onze scholen met een nieuwe CAO PO”. Ook in de andere onderwijssectoren zijn vergelijkbare ontwikkelingen gaande. Vasthouden!

Een ander aanknopingspunt dat bijdraagt aan het benodigde optimisme is de brief die staatssecretaris Sander Dekker plaatste in de Volkskrant van 2 september jongstleden.

Hoewel ik het niet eens ben met zijn suggestie om middelbare scholieren ondermeer met financiële prikkels te triggeren tot excellentie en hoewel hij een karikatuur maakt van het belang van de hoogte van de eindcijfers op de examenlijsten, straalde zijn appèl aan het onderwijsveld en de samenleving wel het vooruitgangsgeloof uit, dat juist nu zo hard nodig is. Vasthouden!

Want, om de grote pedagoog John Dewey maar eens te citeren: “Als we vandaag onderwijzen zoals gisteren, beroven we onze kinderen van morgen”.

Erwin van Rooijen