De belangrijkste succesfactor van de Participatiewet: ondernemerschap

Written by Peter de Leeuwerk. Posted in Blogs

Zowel in mijn rol als commissaris van de sociale werkvoorziening van een van onze grote steden als in mijn rol als adviseur van gemeenten heb ik de laatste tijd mogen nadenken over de wijze van invoering en inbedding van de Participatiewet. Even ter oriëntatie. Met de Participatiewet (PW) beoogt onze regering de deelname van mensen ‘met een afstand tot de arbeidsmarkt’ aan het arbeidsproces substantieel te verbeteren. Hoewel de wet nog niet ‘af’ is en waarschijnlijk nog aangepast moet worden op grond van het onlangs gesloten Sociaal Akkoord, is de essentie van de wet in wording tweeërlei: het onderscheid tussen de verschillende bestaande categorieën (WSW, Wajong, WWB) komt te vervallen, en de verantwoordelijkheid komt, ‘uiteraard’ met aanzienlijk minder budget, geheel en al bij de gemeenten te liggen.

Logisch dat alle gemeenten nadenken over de vraag hoe zij deze – zoveelste – decentralisatie het beste kunnen absorberen. Daarbij passeren, naast de vraag hoe de wet er nu eigenlijk echt gaat uitzien, tal van vragen de revue: ‘hoe willen we samenwerken met andere gemeenten in onze arbeidsmarktregio, welke rol krijgen het SW-bedrijf en de eigen Sociale Dienst, hoe krijgen en houden gemeentebestuur en gemeenteraad grip op de zaak, hoe dienen processen te worden ingericht, hoe moeten de budgetten worden verdeeld en gemanaged?’, en ga zo maar door. Zonder uitzondering belangrijke vragen. Maar wel allemaal vragen die betrekking hebben op beheersing, beheersing van budgetten, van risico’s, van zeggenschap en van verantwoording. Maar in mijn ogen is dat maar één helft van het verhaal. De andere helft schuilt in het vinden van het juiste antwoord op de vraag hoe de PW succesvol kan worden. En die vraag kan alleen beantwoord worden met een helder en ambitieus doel voor ogen.

Het doel is duidelijk: iedereen die kan werken werkt, en ontvangt daarvoor van zijn werkgever een beloning die overeenkomt met zijn prestatie. Maar de omstandigheden waaronder dit doel gerealiseerd moet worden zijn verre van florissant. De werkgelegenheid neemt af, ‘crisisverlamming’ in organisaties is niet de beste voedingsbodem voor experimenten, en budgetten (voor o.a. begeleiding en opleiding) krimpen. Het is dringen geblazen op de arbeidsmarkt: het leger van ‘gewone’ werklozen, starters op de arbeidsmarkt èn de grote groep mensen met uiteenlopende afstanden tot arbeidsmarkt. Het succes van de PW valt of staat in mijn ogen dan ook in de mate waarin de aanbieders van arbeid verricht door mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt hun aanbod onderscheidend kunnen maken van het concurrerende aanbod. Met alleen beheersen lukt dat niet; essentiële voorwaarde voor succes is goed ondernemerschap.

Over wat goed ondernemerschap inhoudt zijn bibliotheken vol geschreven: het begaan van nog onbetreden paden, alleen met de beste medewerkers willen werken, investeren in en sturen op  executiekracht, risico’s en onzekerheden accepteren, tijdig en grondig ingrijpen in processen en organisaties indien doelen niet worden gehaald, verantwoordelijkheid nemen. En dat in de wetenschap dat goed ondernemerschap een schaarse productiefactor is èn dat ondernemen nu eenmaal niet de natuurlijke habitat van gemeenten is. En toch… het kan niet anders. Ik zie de invoering van PW dan ook in de eerste plaats als een kans, een kans om met minder publieke middelen méér te bereiken. Dat vergt lef, natuurlijk van de managers die het moeten doen, maar eerst en vooral van gemeentebestuurders.

Peter de Leeuwerk

De postbode heeft een leaseauto

Written by Roeland Buijsse. Posted in Blogs

In mijn werk ben ik veel actief in MBO scholen. Als ik hier op zou schrijven dat een MBO in Nederland al zijn onderwijsgevend personeel zou ontslaan en het onderwijs volledig zou uitbesteden aan derden, dan zou u deze school waarschijnlijk voor gek verklaren. Als ik erbij zou vermelden dat al het overige personeel, het personeel dat niet voor de klas staat maar bijvoorbeeld administratie doet, marketing, HRM, management e.d., in dienst zou blijven dan zou u ongetwijfeld helemaal van verbazing van uw stoel vallen.

Gelukkig is het bovenstaande slechts een verzinsel van mij. Een school zou dit nooit doen. Het bedrijf PostNL doet dit echter wel.

PostNL, het voormalige TNT, en daarvoor TPG en daarvoor PTT heeft als kerntaak het bezorgen van brieven en pakketten. Een kerntaak waarbij sprake is van een rechtstreekse dienst voor een individuele klant, een particulier of een bedrijf. Nu zijn er natuurlijk verschillende schakels in het proces ‘post bezorgen’ die allemaal worden uitgevoerd door medewerkers van PostNL. Als we nu eens inventariseren in welke van deze schakels er sprake is van direct contact tussen PostNL en de klant, dan kom ik tot het volgende:

  • het bezorgen van een brief;
  • het bezorgen van een pakket;
  • het aannemen van een pakket of brief om te versturen naar een derde persoon.

In deze schakels is de laatste jaren nogal wat veranderd. Voorheen werd een brief bezorgd door een postbode, een pakket door een bezorger en werd uw post aangenomen in een postkantoor. Tegenwoordig zijn al deze drie taken uitbesteed.

Een brief wordt bezorgd door een postbezorger. Deze schakel is losgeknipt van de postsortering. De postbezorger is niet in dienst van PostNL. Uw pakket wordt bezorgd door bezorgbedrijven die nog al eens met eigen onderaannemers de pakketdistributie doen. Uw post wordt aangenomen door een filiaal van V&D, de AH of een andere winkel in uw gemeente die een ‘postpunt’ geopend hebben.

Ok, ik snap best dat ‘de postmarkt’ sterk veranderd is de afgelopen jaren. Ik begrijp dat het goedkoper moet, ik begrijp de lastige positie van PostNL (marktwerking en een overheidscontract). Ik begrijp het allemaal. Maar wat ik niet begrijp is dat dit PostNL ertoe gebracht heeft om een businessmodel te bedenken waarbij de meest cruciale processtappen, namelijk die waar sprake is van direct klantcontact, zijn uitbesteed. Met andere woorden: PostNL levert een dienst aan een klant…, maar geen enkele medewerker ziet of spreekt wel eens een klant.

PostNL is van een overheidsorganisatie een echt bedrijf geworden. Mij bekruipt echter het gevoel dat dit er vooral toe heeft geleid dat de medewerkers niet meer op de fiets zitten, met alle gespaarde elastiekjes aan het stuur, maar droog in een Duitse leaseauto.

Roeland Buijsse

Afstoten klanten staat haaks op plicht van banken om verspeeld krediet terug te winnen

Written by Peter de Leeuwerk. Posted in Blogs

Deutsche Bank lijkt niet te begrijpen dat verplicht afscheid niet in belang is van de eigen continuïteit

Deutsche Bank wil niet langer op mijn geld passen, zo vertelde mij de ceo van deze bank onlangs in een brief. ‘U wordt bedankt.’

Ik geef toe, het gaat niet om miljoenen, maar toch: het voelt niet helemaal lekker. Ik werd ooit ‘meeverkocht’ door ABN Amro. Ik moest een ongewenste splitsing tussen privé en zakelijk accepteren maar bleef loyaal aan ‘mijn’ mensen van de bank — die hadden destijds immers ook geen keuze — en probeerde, soms vloekend en tierend, het internetbankieren van de bank onder de knie te krijgen. En nu dit: ‘U wordt bedankt’. Waar eufemistisch aan wordt toegevoegd: ‘Wij zijn niet geschikt voor u’. ‘Had dat dan eerder gezegd’ is de kern van mijn gevoel hierover als ik in een milde bui ben.

Tot zover mijn emotie.

Nu mijn ratio. Professioneel heb ik doorgaans groot respect voor consequente executie van de gekozen strategie. Al te vaak vergeten ondernemingen echte keuzes te maken, met als gevolg een soort pappen en nathouden waarbij de onderneming op elk van haar marktsegmenten veroordeeld wordt tot het blijven spelen van de tweede viool.

Werkt dat slecht in goede tijden, in slechte tijden kan dat catastrofaal zijn. Je kunt echter ook te ver en te snel gaan; het gezegde ‘jede Konsequenz führt zum Teufel’ zou Deutsche Bank toch moeten aanspreken.

Want waarom heeft Deutsche Bank destijds eigenlijk onderdelen van ABN Amro overgenomen? Ze kon toch weten dat elke Nederlandse bank, en dus ook ABN Amro, verankerd is in het midden- en kleinbedrijf. En waarom is het mkb-deel niet als geheel van de hand gedaan, bijvoorbeeld terugverkocht aan ABN Amro? De reden dat de destijds verplichte verkoop van delen van de bank noodzakelijk werd gevonden — machtsvorming als gevolg van de fusie met Fortis Bank Nederland — is immers toch allang komen te vervallen.

Handelt Deutsche Bank met het afstoten van 18.000 klanten (2.000 particulieren en 16.000 kleinzakelijke klanten) überhaupt wel in het welbegrepen eigenbelang? Begrijpt Deutsche Bank wel dat achter al die 16.000 mkb’ers zakelijke netwerken schuil gaan? Beseft ze wel voldoende dat je met het aan de dijk zetten van loyale klanten geen vrienden maakt? En, misschien nog veel belangrijker, snapt Deutsche dan echt niet dat het bankwezen inmiddels zwaar in het krijt staat bij de samenleving? En dat elke bank, ook een buitenlandse, de opdracht heeft het verspeelde krediet terug te winnen door het geven van krediet, of het nu feitelijk of moreel is, in het belang van de eigen continuïteit op lange termijn? En dat dit in schril contrast staat met het afscheid nemen van klanten, in mijn geval nog een risicoloze ook? Welk beeld roept de bank van haar eigen organisatie op, een organisatie die in Nederland toch vooral uit ex-ABN Amro-ers bestaat, als zij ‘deemoedig’ beweert dat ik met een andere bank beter af ben?

Ook vanuit het perspectief van de ratio begrijp ik het niet. Ik ga wel weg hoor. En ik neem mijn geld mee naar een andere bank. Veel rendement verwacht ik momenteel nergens, maar ik wil wel een bank die zich bekommert om zijn maatschappelijke verantwoordelijkheid. Zijn die er nog, vraag ik mij voorzichtig af.

Peter de Leeuwerk

De ondergang van e-mail: oorzaak of gevolg van collectieve onthechting?

Written by Peter de Leeuwerk. Posted in Blogs

Deze zwaarmoedige titel is natuurlijk een tikkeltje te veel voor de opening van een eenvoudige blog. Maar ja, je moet iets doen om een beetje aandacht te trekken. Daarover spraken wij, de voorzitter van mijn Rotary Club en ik, toen wij zelfs in onze eigen club tekenen van apathie meenden te bespeuren. Want, zo constateerden wij, het is kennelijk niet (meer) vanzelfsprekend om mail van clubleden te beantwoorden. Positief ingesteld als wij zijn, zeker waar het de betrokkenheid van onze clubgenoten bij het ‘clubgebeuren’ betreft, kregen voor de hand liggende argumenten als ‘het interesseert ze niet, ze voelen zich niet aangesproken, ze kijken vooral naar hun eigen plezier en belang’ geen vat op ons.

Maar ja, wat is het dan wel? Want onomstotelijk feit is dat het medium e-mail, toch vooral bedoeld om meer dan één persoon tegelijk op een praktische manier een praktische vraag te stellen, zijn doel steeds vaker voorbij schiet. Als je iemand vis à vis aanspreekt of opbelt, dan krijg je normaal gesproken ten minste enig geluid terug. Maar bij eenzelfde vraag per e-mail  blijft het vaak oorverdovend stil. Zou iemand zijn hoofd omdraaien en weglopen of zonder een woord te zeggen de haak erop gooien, dan zou dit over het algemeen toch op zijn minst als onbehoorlijk worden ervaren. Gelden bij het omgaan met e-mail dan andere fatsoensnormen? Zijn er eigenlijk wel fatsoensnormen voor elektronisch berichtenverkeer? Zo zag ik ooit een heel oud tv-spotje uit de tijd dat de telefoon voor het grote publiek beschikbaar kwam. Daarin werd het volk geïnstrueerd hoe men de telefoon geacht werd op te nemen en welke beleefdheidsvormen daarbij in acht dienden te worden genomen. Daarom zeggen wij nog steeds netjes ‘goedemiddag, u spreekt met Peter de Leeuwerk’ en brult men in de VS gewoon ‘hello’. Maar ja, het past niet bij deze tijd om mensen gedrag voor te schrijven. En daar lijkt het e-mailverkeer een van de slachtoffers van.

‘Ik stuur wel even een mailtje’ is misschien het meest uitgesproken zinnetje in het hedendaagse intermenselijke contact. Het vermoeden van gemakzucht (‘gooi de boel maar over de schutting’) nodigt niet uit om direct en enthousiast te reageren: ‘had hij niet even kunnen bellen, dan had ik meteen wat toelichting kunnen vragen; had hij zijn vraag niet wat duidelijker kunnen toelichten; of: waarom maakt hij mij niet wat enthousiaster?’  Het gevoel van de onbalans tussen het gemak waarmee de vraag wordt gesteld en de ervaren zwaarte van het antwoord is mogelijk ook een factor bij het laten bungelen van e-mail. Dat zou vooral de verzender zich  moeten realiseren. Een – wat makkelijk, maar toch – excuus voor de ontvanger schuilt in problemen bij de praktische follow up van een mail: ‘nu moet ik eerst mijn agenda raadplegen (en soms ook die van een ander) en daar heb ik nu de gelegenheid niet voor. Ik doe het later wel’. En voor je het weet raakt de mail, in het vaak hevige mailgeweld, letterlijk en figuurlijk van het scherm. Sorry, vergeten, ondanks mijn goede intentie.

Het zijn niet meer dan een paar bespiegelingen. Ik weet het antwoord ook niet, zelfs niet eens waarom mijn eigen gedrag is wat het is (wàt het is, laat ik hier even in het midden). Maar we kunnen er natuurlijk wel wat aan doen. Juist door gebrek aan algemene normen is het logisch dat een organisatie – een bedrijf, een vereniging – een gedragscode overeenkomt, die eisen stelt aan de ontvanger  èn de verzender. En wat ik zelf ga doen? Vaker de telefoon grijpen. Want is het niet opgevallen, bedacht ik mij onlangs, dat de gesproken gedachtewisseling – dat nu eenmaal veel meer zeggingskracht heeft dan een mailtje – steeds meer wordt weggedrukt door mailtjes, whatsapp’jes, sms’jes? Dat is een verarming van het intermenselijk verkeer en leidt op zichzelf al tot onthechting van de groepen waartoe bij menen te behoren. Ook zware woorden natuurlijk, maar ik ervaar het wel zo.

Genoeg voor dit moment. Ik hoop dat deze blog wat reacties losmaakt. Ik ben er niet helemaal zeker van, want reageren op een blog verloopt digitaal ;-).

Peter de Leeuwerk

Endorsed…

Written by Roeland Buijsse. Posted in Blogs

Ik ben ‘endorsed’… op Linkedin. Geen idee wat het inhoudt, dus dat heb ik opgezocht. Het is een niet echt goed in het Nederlands te vertalen woord, maar het komt neer op een soort duim omhoog voor een bepaalde activiteit of vaardigheid. Waar ik voor ‘endorsed’ ben, ben ik al weer vergeten maar het is tamelijk hip om te ‘endorsen’ want om de haverklap zijn er updates met ‘duim omhoog’. Wat me opvalt is dat het nogal bijzondere activiteiten of vaardigheden zijn waar mensen voor ‘endorsed’ worden. Kijk, ‘endorsed’ voor strategieontwikkeling of teaching, daar kan ik me wel wat bij voorstellen. Sommige van mijn contacten worden echter ‘endorsed’ voor ‘government’. Government?? Ik ben zeer benieuwd wat je gedaan moet hebben om daarvoor endorsed te worden. Het is geen activiteit. Het is niet eens een werkwoord. Ook worden mensen endorsed voor ‘Dutch’. Dit lijkt me alleen een aanbeveling als je net een inburgeringstraject hebt gevolgd, anders lijkt me dat niet echt een prestatie.

Maar goed, al langer bestaat de mogelijkheid om in Linkedin iemand aan te bevelen via recommendations. Is me ook een keer overkomen voor een opdracht en dat vond ik erg aardig van de klant. Hier geldt alleen dat er nogal sprake is van inflatie. Sommige van mijn contacten zijn al meer dan 15 keer aanbevolen. Knap zeg! Om geen minderwaardigheidscomplex te krijgen ben ik er iets verder ingedoken en zo kwam ik er achter dat zij de mensen die hen aanbevolen hebben, zelf ook aanbevolen hebben. Ja, zo kan ik het ook.

Misschien ben ik hier iets te nuchter voor. In Amerika zal dit allemaal doodnormaal zijn. Laat het zien als je excelleert, geef daar aandacht aan in plaats van doe maar normaal dan doe je al gek genoeg. Zelf ben ik er achter gekomen toen ik voor mijn voormalige werkgever Accenture hoofddocent was op het opleidingsinstituut in Chicago. Als onderwijsteam kregen we de mogelijkheid om twee studenten een topwaardering te geven. Dit hebben we gedaan en ik heb deze waardering aan hun leidinggevenden in hun thuisbasis doorgegeven. Ook heb ik hen zelf geïnformeerd dat ze tot de besten van de klas behoorden. In de klas zelf heb ik gemeld dat twee van de studenten een topwaardering hebben gekregen, maar hier heb ik het verder bij gelaten. Na afloop kwamen mijn Amerikaanse co-docenten naar mij toe met de opmerking dat ik dat anders had moeten doen. Ik had de twee toppers ten overstaan van de hele klas in het zonnetje moeten zetten. Dat is onderdeel van hun succes.

Dit is altijd een beetje blijven knagen want ik denk dat ze gelijk hebben. Zelf had ik het niet nodig gevonden, maar in een andere cultuur kijk je daar heel anders tegenaan.

Ik ga nu iemand endorsen!

Roeland Buijsse

Wassenaar en is ze dat weer?

Written by Peter de Leeuwerk. Posted in Blogs

In het kader van de onderhandelingen tussen werkgevers, werknemers en de regering over het bereiken van een zogeheten ‘Oranjeakkoord’ wordt steevast verwezen naar het Akkoord van Wassenaar in 1982. Logisch, want ook toen was het slecht gesteld met de arbeidsmarkt, zoals ik mij als beginnend econoom en verse toetreder tot de arbeidsmarkt goed herinner. Maar wat mij het meest trof was de uitspraak – ik weet niet eens meer in welke krant – dat in 1982 werkloos zijn als een gemeenschappelijk probleem werd ervaren. En niet, zoals in deze tijden, als een individueel probleem, in de sfeer van ‘pech gehad’ of ‘gevolg van eigen keuze’. En die vergelijking heeft mij sindsdien niet meer losgelaten.

Zoals ook in 1982 komt werkloosheid steeds dichterbij. Niet alleen komen veel jongeren moeilijk aan goed werk (zo staan momenteel mijn eigen kinderen op de drempel van de arbeidsmarkt), maar ook steeds meer gewoon goed functionerende mensen komen verbouwereerd aan de kant te staan. Tegen deze achtergrond probeer ik de typische economenredenering tot mij te laten doordringen dat mensen die werkloos geworden zijn ‘een prikkel’ nodig hebben om weer aan te werk te gaan. En dat om die reden de duur van de WW (ernstig) moet worden bekort. En dan probeer ik mij de mensen in mijn omgeving voor ogen te nemen die zonder werk zijn geraakt en probeer mij een beeld te vormen van welke prikkel dat dan zou moeten zijn. Maar dan blijft het doodstil in mijn hoofd, iedere keer weer. Onze regering heeft meedoen, participeren, jezelf redden en werken uitgeroepen tot het ultieme doel en onderstreept dat in alles wat zij zegt, doet en laat. Is er dan zo weinig vertrouwen in de eigen burgers dat ze moeten worden bestraft als het even niet lukt? Ik heb er geen wetenschappelijk onderzoek naar gedaan, maar toch ben ik ervan overtuigd dat (bijna) niemand zich neerlegt bij onvrijwillige buitensluiting van het belangrijkste maatschappelijk proces dat we in ons land kennen: betaald werk doen en daardoor voor jezelf en je gezin kunnen zorgen. De tegenwerping ligt natuurlijk voor de hand: “dat geldt natuurlijk alleen voor hoger opgeleiden voor wie werk synoniem staat met zelfontplooiing, status en aanzien, en dat is maar een kleine minderheid”. In mijn ‘vrije tijd’ ben ik commissaris bij een Sociale Werkvoorziening. In deze organisatie wordt dagelijks het ultieme bewijs geleverd van het belang van werk, van een eigen inkomen, van structuur in het dagelijks leven, van gewoon mee kunnen doen. Werk is voor iederéén van groot belang. Het is vast niet zonder reden dat het accent van de nieuwe Participatiewet op het (weer) mee gaan doen ligt. Door de participatieladder trede voor trede te beklimmen (her)ontdekken mensen dat je er heel veel voor terug krijgt. Ik durf zelfs de stelling aan dat een desastreus perspectief op veel mensen eerder een verlammend dan stimulerend effect heeft. Wat heb je aan WW-verlaging als het wel leidt tot nog minder consumentenvertrouwen, nog meer verplichte huizenverkoop en nog meer ongelukkige gezinnen en als het niet leidt tot sneller aan het werk gaan?

Werkloos zijn is verschrikkelijk voor de betrokkene en zijn omgeving. Maar laten we 30 jaar na dato van ‘Wassenaar’ opsteken dat (massa)werkloosheid toch in de eerste plaats een collectief probleem is. Het uittrekken van een van bedrag van 6 miljard euro om de Europese jeugdwerkloosheid te bestrijden (overeenkomend met € 100 per werkloze per jaar) zoals de EU onlangs heeft besloten, is helaas nog niet eens het begin van een oplossing.

Peter de Leeuwerk

Tien in de Topsector

Written by Roeland Buijsse. Posted in Blogs

Het Ministerie van OCW deed vorige maand een persbericht uit met de strekking dat in het hoger onderwijs de aan de topsectoren gerelateerde studies sterk in opkomst zijn. Zo trekt de topsector water extra studenten naar de opleiding Maritieme Techniek en heeft de topsector Agrofood een aanzuigende werking op studenten voor de studie Levensmiddelentechnologie. De aan de topsectoren gerelateerde studies weten ook de kwalitatief goede studenten aan te trekken. Dit schrijft staatssecretaris Dekker van Wetenschap in een brief aan de Tweede Kamer bij het rapport ‘Wetenschaps-, Technologie & Innovatie Indicatoren 2012’ . De toename bedraagt ongeveer 20%. Deze studies hebben blijkbaar een grotere aantrekkingskracht dan gemiddeld op de toekomstige student. De stijging is ook nodig omdat het aandeel van studenten in de topsector gerelateerde studies in 2011 nog wel relatief klein is.

Als het bovenstaande inderdaad klopt, dan is dat goed nieuws. Een vorig kabinet heeft negen topsectoren benoemd waarin Nederland wereldwijd een sterke positie heeft. Om sterk te blijven, moet geïnvesteerd worden, onder meer in het onderwijs. Voldoende jongeren moeten studierichtingen kiezen waarmee zij toegevoegde waarde aan de topsectoren kunnen leveren. Technische studies bijvoorbeeld zijn nodig voor topsectoren als hightech, lifesciences, chemie en tuinbouw. Dit geldt voor het hoger onderwijs, maar ook voor het MBO. De ROC’s investeren via publiek-private samenwerkingsconstructies in zogenaamde Centra voor Innovatief Vakmanschap (CIV). Mooie voorbeelden van kenniscentra waarin onderwijs en bedrijven samenwerken gericht op het afleveren van zo veel mogelijk, zo goed mogelijk opgeleide studenten.

Tienorganisatieadvies werkt mee aan de oprichting van deze CIV’s in de groene sector, Tuinbouw&Uitgangsmaterialen en Agro&Food. Nederland is wereldberoemd in deze sectoren. Ze hebben echter een onvoldoende wervend imago. Te weinig jongeren kiezen voor opleidingen in deze sector. Met de CIV’s investeren de groene MBO’s in kwaliteitsverbetering van de opleidingen, onder meer door cross overs te maken naar andere opleidingen en zich zo aantrekkelijk mogelijk te profileren. Dit klinkt als een al vaak afgespeelde plaat, maar het nieuwe is dat bedrijven net zo goed verantwoordelijk zijn als het onderwijs en expliciet investeren.

Kortom, als het persbericht van OCW waar is, dan enthousiasmeert dit het MBO ongetwijfeld ook om op de ingeslagen weg door te gaan.

Roeland Buijsse

Adelt arbeid?

Written by Peter de Leeuwerk. Posted in Blogs

Het laatste dat ik wil is de zoveelste duit uit het zakje halen van bankbestuurders, maar toch houdt dit onderwerp ook mij bezig, als burger èn als econoom.

Honorering kent in beginsel drie grondslagen: kapitaalverschaffing, ondernemerschap en arbeid. Toetsen we een bankiersbeloning hieraan, dan blijft alleen de factor ‘arbeid’ over. Van kapitaalverschaffing is allerminst sprake. Veeleer is het tegenovergestelde het geval: kapitaalonttrekking, want een bankbestuurder deelt uitsluitend in de ‘upward potential’ en niet in het ‘downside risk’, om maar een paar begrippen uit het bankiersjargon te gebruiken. Evenmin is vol te houden dat ondernemerschap, zoals Schumpeter het ooit bedoelde met zijn betoog over ‘Neue Kombinationen’ leidend tot sprongen in technische en economische vooruitgang, bij uitstek wordt belichaamd door bankbestuurders. De financiële wereld komt immers niet veel verder dan oude wijn in nieuwe zakken, meestal ook nog funest voor de kwaliteit van de wijn, zo is gebleken.

Maar dan blijft de vraag: hoeveel mag arbeid kosten? Daarbij uitsluitend teruggrijpen op de kracht van marktwerking, biedt geen oplossing. Dat suggereert niet alleen volledige transparantie van de markt – die ver te zoeken is – maar ook dat zowel werkgevers als werknemers zich uitsluitend laten leiden door economische principes, dus door het prijsmechanisme. Ook dat is verre van de realiteit. Je kunt er ook anders naar kijken. Stel dat voor de arbeidsbeloning van een bankbestuurder als norm zou gelden dat iemand met deze verantwoordelijkheid en te leveren arbeidsprestatie niet zou mogen worden afgeleid door de dagelijkse ‘struggle for life’. En stel dat dit zou betekenen dat hij een goed huis zou moeten kunnen bewonen, een degelijke auto zou moeten kunnen rijden, een paar keer per jaar op vakantie zou moeten kunnen gaan, goed voor zijn oude dag zou moeten kunnen zorgen en zijn kinderen schuldenvrij hun studie zou moeten kunnen laten beëindigen. Laten we eerlijk zijn: dan zou één keer ‘Balkenende’ toch ruim voldoende moeten zijn.

Zoals zo vaak heeft Bas Heijne in zijn column van zaterdag 11 februari volstrekt gelijk als hij stelt dat de regering aan gezag had kunnen winnen als zij had doorgezocht naar een goede kandidaat die deze belangrijke opdracht voor twee ton per jaar zou hebben aangenomen. Dan zou eindelijk de daad bij het woord zijn gevoegd. Bovendien: wat is er eervoller dan het vertrouwen van de samenleving te krijgen om een complex maatschappelijk vraagstuk te mogen lossen? Dan doen ministers zelf toch ook? En mocht deze opvatting als naïef worden gekwalificeerd, dan ben ik stellig van plan naïef te blijven. Want dan verkeer ik in het goede gezelschap van de vele getalenteerde mensen die ik ken die genieten van een goed leven maar hun belangrijke werk doen op grond van niet-financiële drijfveren.

Peter de Leeuwerk

Is ‘demotie’ te makkelijk?

Written by Peter de Leeuwerk. Posted in Blogs

De bestuursvoorzitter van CapGemini heeft met zijn voornemen om salarisverlaging toe te passen bij het ouder worden veel ophef veroorzaakt. Dat is onterecht. Want ons beloningssysteem vindt zijn oorsprong in vanzelfsprekende economische groei; alleen dan is het immers mogelijk om structurele loonkostenstijgingen te absorberen. Omdat de twijfels over de terugkeer van de groei alsmaar groter worden, is het dus onvermijdelijk om deze discussie te starten. Want laten we als 55-plusser eerlijk zijn: de stelling dat ons surplus aan ervaring en kennis een nog grotere kloof dan nu al het geval is tussen de inkomens van ouderen en jongeren zou rechtvaardigen, is onhoudbaar. Niet alleen is het zeer twijfelachtig of al die ervaring nog wel relevantie heeft en houdt, werken kost in de eerste plaats gewoon heel veel energie, energie die afneemt als je ouder wordt, of je het nu leuk vindt of niet.

Nog even los van allerlei denkbare negatieve macro- en micro-economische effecten (wie krijgt nog een hypotheek, wie onderhoudt de dure studerende kinderen?) overheerst bij mij toch het gevoel dat toepassing van het instrument ‘demotie’ te makkelijk is. Het lijkt me een instrument dat je pas uit de kast haalt als alle andere inspanningen onvoldoende soelaas bieden. En volgens mij zijn we nog lang niet zo ver. In de praktijk zie ik zowel werknemers als werkgevers tal van kansen laten liggen om de inzetbaarheid en productiviteit op peil te houden of zelfs te vergroten. Laat ik beginnen met degenen die het meeste belang hebben bij het vermijden van ‘demotie’: de werknemers. Waarom zijn er niet veel meer die hun werkzame leven spannend willen houden, door van baan te veranderen als het nog ‘leuk’ is, door zelf te beslissen om een deel van hun vrije tijd te besteden aan een opleiding, door zichzelf doelen te stellen, door zich bewust te ‘stretchen’ en te waken voor de automatische piloot? Hoeveel mensen hebben in hun jonge jaren geen collega’s om hen heen gezien waar zij nooit op wilden gaan lijken? Waarom gunt men zichzelf niet dat je in de tweede helft van de vijftig in de positie bent om tegen jezelf te kunnen zeggen: ik màg gelukkig nog 10 jaar?

Maar ook de werkgevers maken zich er vaak te gemakkelijk vanaf. Het is zo verleidelijk om goede medewerkers vast te houden en ‘uit te melken’ èn evenzo om medewerkers die ‘over de top’ zijn te laten bungelen en niet aan te spreken op hun verantwoordelijkheid om zich, ook – of beter: juist – te blijven ontwikkelen. Los van dit ogenschijnlijk begripvolle maar eigenlijke asociale gedrag van de werkgever, schiet de manager bovendien in zijn eigen voet. Want hoe kan hij met een stel ‘uitgerangeerde grijsaards’ straks de oorlog nog winnen? Want al zou de manager in de positie komen om hen in te ruilen voor jonge medewerkers, hij zal mis tasten, want straks zijn er gewoon niet genoeg.

Laten we hier eerst maar eens echt werk van maken. Demotie kan dan altijd nog. Met mijzelf heb ik een jaar geleden afgesproken dat ik nog ten minste 10 jaar lang 55 wil blijven. Ik weet wat ik daarvoor moet doen (en laten). En nu maar volhouden. En natuurlijk een beetje geluk hebben.

Peter de Leeuwerk

Groeien…

Written by Roeland Buijsse. Posted in Blogs

Ik weet het, het lijkt een beetje obligaat om na de val van een grote onderwijsinstelling een blog te schrijven over de negatieve gevolgen van te groot groeiende publieke dienstverleners. Toch is dat niet mijn bedoeling met dit schrijfsel. Wat ik kwijt wil, dat zou ik ook zonder het debacle in MBO-land hebben geschreven. Ik loop de laatste jaren bij behoorlijk wat scholen rond, ken hun strategieën, werk er soms ook aan mee, spreek met veel bestuurders en directeuren en kort door de bocht is mijn conclusie: iedereen wil groeien!

‘Groeien betekent meer geld’
‘Om onze ambities waar te maken, moeten we groeien’
‘Onze concurrenten groeien, dus wij ook’
‘Ik groei dus ik doe het goed’
‘Als we niet groeien dan is onze continuïteit niet gewaarborgd’ 

Bovenstaande uitspraken zijn een paar voorbeelden die ik nog steeds dagelijks meemaak. Ik had dit nog kunnen begrijpen als ik met een CEO van een commerciële organisatie zou praten. Voor commerciële organisaties is groei een doel op zich, groei wakkert innovatie aan en maakt middelen vrij om te investeren. Met jaren van groei worden jaren van krimp gecompenseerd.

Maar voor een publieke organisatie zoals een school? Ik moet zeggen, dat ik er vroeger ook wel in mee ging. De laatste jaren begin ik me een beetje te verzetten tegen groeiambities van scholen, opleidingssectoren, onderwijsclusters e.d., maar wat eenmaal in het hoofd zit, gaat er lastig uit. Boosdoener is wat mij betreft toch tenminste voor een deel de wetgeving zoals de Wet Hoger Onderwijs en de Wet Educatie en Beroepsonderwijs, waarin de ROC-vorming werd geregeld en de bijbehorende bekostiging. Er was sprake van consolidatie en schaalvergroting. Her en der is dit succesvol, her en der niet. Daar gaat het me niet om. Waar het me om gaat, is dat de laatste 15 jaar het principe groei zo’n mantra is geworden in de sector dat bestuurders en directeuren er hun succes of falen aan af meten. Nog steeds wordt het succes van scholen vooral gemeten in ‘zijn we gegroeid’. En, nog erger, wordt onvoldoende groei beschouwd als een groot risico voor de organisatie. De continuïteit is in gevaar!!

Dit slaat echter helemaal nergens op. Groei kan nooit een indicator zijn voor succes van een publieke dienstverlener zoals een school, en al helemaal geen doelstelling. Het is namelijk irrelevant. Er is immers geen reden tot groei, want de organisatie wordt bekostigd en hoeft geen cent zelf te verdienen. De school is een publieke voorziening met een maatschappelijke taak. Samengevat: hoe kan een publiek bekostigde organisatie met een maatschappelijke taak nou een groeiambitie hebben? Dit kan in één geval, namelijk als sprake is van een grote vraag naar gediplomeerden door het (regionaal) bedrijfsleven. In dit geval kan het de maatschappelijke opdracht zijn voor scholen om te groeien, althans, om te zorgen dat zo veel mogelijk jongeren de opleidingen kiezen waar grote vraag naar is.

Bij deze dus een oproep aan alle scholen. Doe waarvoor je bekostigd wordt en ontleen je succes aan zaken waar je organisatie voor aan de lat staat: studenttevredenheid, de mate van voortijdig schoolverlaten, diplomarendement, veilige school, (wetenschappelijke) prestaties e.d. Succes!

Roeland Buijsse