Succes in stage

Written by Roeland Buijsse. Posted in Blogs

Nu het nieuwe schooljaar weer begonnen is, krijgen MBO-scholen en hun studenten weer te maken met een vrij hardnekkig probleem, namelijk het vinden van voldoende stageplekken. Naast het aantal plekken gaat het daarbij ook om zo hoogwaardig mogelijke stageplekken. De stage moet immers toegevoegde waarde hebben voor de student, voorbereiden op de beroepspraktijk, met andere woorden aansluiten op de kennis en vaardigheden van de student. Met name dat laatste is best een probleem. Niet zelden wordt een stagiair ingezet op laagwaardige werkzaamheden waar toevallig ‘extra handjes’ voor nodig zijn. Begrijp me niet verkeerd, dit is echt niet altijd zo, maar elke keer is er één te veel. Een goede stage moet onderdeel zijn van het leren. Goede begeleiding aan de kant van de school en het bedrijf is essentieel. Alleen, vaak blijft het bij bovenstaande constatering en volgt weinig actie.

Het kan ook anders. In mijn werk kwam ik in aanraking met MBO Utrecht, in het bijzonder de opleiding voor Eventmanagement. Ook deze opleiding had een paar jaar geleden te maken met kwalitatief te magere stages. In reactie hierop heeft de opleiding een eigen leerbedrijf gestart: Eventlab. De bedoeling van Eventlab is het bieden van echte praktijkmogelijkheden voor de eigen studenten met toegevoegde waarde voor de klant. Een echt bedrijf dus, waarbij het geleerde ook nog geïntegreerd wordt in het curriculum in de vorm van lessen in ondernemerschap.

Jaarlijks worden ongeveer 40 projecten uitgevoerd waar alle studenten tenminste één maal in deelnemen. Uit evaluaties blijkt dat studenten de stages hoger waarderen dan voorheen. Nog interessanter is dat 87% van de bedrijven die met EventLab hebben gewerkt, zeer tevreden zijn over de kwaliteit van EventLab. Ook docenten zijn tevreden en zijn alert op potentiële projecten voor Eventlab.

Kortom, meerdere vliegen in één klap. Ik hoop dit jaar meer van dit soort voorbeelden te zien.

Roeland Buijsse

Onthaasten…

Written by Roeland Buijsse. Posted in Blogs

Ik woon in Leiden en vlakbij zit een slager. Deze slager bestaat al ruim 100 jaar en het is net of er in die 100 jaar niets is veranderd, niet in het uiterlijk, maar vooral niet in werkwijze. De slager is één groot anachronisme. Ik heb een haat/liefde-verhouding met de slager. Op zaterdagmiddag staat de rij tot buiten, dat komt niet alleen door het grote aantal klanten maar vooral doordat alles op z’n elfendertigst gaat. En ik heb altijd haast. Oh wat confronteert deze slager me met mezelf.

Het gedrag van de medewerkers van de slagerij werkt op mijn zenuwen. Ze helpen namelijk een klant ook echt zoals het hoort. Je moet het meemaken om het te geloven. Het is verschrikkelijk. Natuurlijk maakt de slager geen gebruik van nummertjes. Bij elke bestelling krijg je drie wedervragen die ten dele over je bestelling gaan, maar net zo goed over een mogelijke glutenallergie kunnen gaan. Alles wordt ter plekke gesneden, gemaakt e.d. en dat allemaal onder een ontspannen conversatie met de klanten en elkaar. De medewerkers moeten continu op elkaar wachten voordat ze het onhandig gepositioneerde verpakkingsplastic kunnen gebruiken, dat by the way, weer zo ver mogelijk weg van het verpakkingspapier ligt. Af en toe wordt een klant meegenomen naar achter om zelf wat vlees uit te zoeken en na 5 minuten komen ze doodgemoedereerd weer naar voren, op het oog zonder enig resultaat. Hamburgers liggen al voorbereid klaar, maar ze maken ze toch nog liever even opnieuw klaar.

Daar komt nog bij: Ze zijn vriendelijk!! Oh mijn god. Als je je bestelling al verpakt aangenomen hebt, wordt nog geïnformeerd of je niet toch nog wat kruiden erbij wilt en wordt net zo makkelijk alles weer uitgepakt en opnieuw ingepakt.

De slager heeft  natuurlijk geen pinautomaat. Daar kwam ik de eerste keer dat ik er heen ging achter, maar niet getreurd want 200 meter verderop is een pinautomaat en de medewerker die me hielp wachtte gewoon 5 minuten totdat ik weer terug was zonder een nieuwe klant te gaan helpen. En ach, betalen dat is ook maar relatief. Laatst betaalde een klant € 3,50 extra want dat was hij bij een vorig bezoek tekort gekomen. Was ergens 3 maanden geleden, maar goed.

Oh, wat gaat het langzaam, oh wat kost het een tijd, maar wat is het heilzaam. Wat kom ik er altijd volkomen ontspannen vandaan. Het kwartier dat ik doorgaans moet wachten, is een yogales en een kuuroord ineen. Dit is onthaasten, en ik krijg er ook altijd een stukje worst bij.

Roeland Buijsse

Zomerse plannen en gedachten

Written by Peter de Leeuwerk. Posted in Blogs

De zomer staat traditioneel bol van het triviale nieuws. Serieuze kranten berichten uitvoerig over zomerfeesten, het NOS journaal geeft buitenlandcorrespondenten de ruimte om ludieke items te maken, het weer wordt vergeleken met de economische crisis – een beetje kil en elke mooie dag wordt weer opgevolgd door een paar grijze dagen, de Tour de France is tijdens zijn eerste drie dagen één grote reclamespot voor Corsica, de avondetappe van Mart Smeets wordt elke avond wederom door honderdduizenden mensen bekeken – zelfs als Mart het te langen leste toch eens serieus gaat hebben over dopinggebruik – en de persoonlijke gesprekken op kantoor en in de kleedkamer van de sportschool gaan uitsluitend nog over onze bijzondere vakantieplannen. Niet dat we er maar iets van opslaan, maar smullen doen we. Ik net zo goed.

Wat is dat toch, dat we in de zomer bereid zijn ernstige zaken te laten ‘overzonnen’ door op zichzelf onnozele dingetjes en daarin bijna eindeloos kunnen zwelgen? Verstoppen we ons voor het echte leven omdat we het niet goed aan kunnen, zijn we gewoon niet in staat hoofd- en bijzaken van elkaar te onderscheiden of is een touretappe gewoon belangrijker dan de idiote ideeën van sommige wethouders dat persoonlijke verzorging van de meest kwetsbare mensen in onze samenleving ook door werklozen en vrijwilligers kan worden gedaan? Eerlijk gezegd weet ik het niet en schrijf ik het maar toe aan de onnavolgbaarheid van de menselijke geest, die ook mijn geest is.

Dus dan maar in deze geest een zomers bericht over mijn eigen plannen en gedachten. Voor wat u het als lezer waard vindt. Samen met andere liefhebbers organiseer ik orgelconcerten in de Grote Kerk van ‘mijn’ Elst. Op 7 juli speelt onze ‘artist in residence’ Dirk Luijmes. Hij heeft mij beloofd dat hij ook muziek van Bach speelt, de mooiste muziek die ooit is gemaakt. Diezelfde Bach brengt ons deze zomer naar Leipzig; ik wil een keer zijn waar deze grootheid zijn geweldige muzikale nalatenschap heeft gemaakt en zelf ten gehore heeft gebracht. Over muziek gesproken: aan het einde van de vakantie zet mijn koor Poco Piú ‘Ein Deutsche Requiem’ van Brahms weer op de lessenaar; op woensdag 4 september mogen wij dit monumentale werk uitvoeren in de Arnhemse Eusebiuskerk. Een geweldig vooruitzicht. Ook maak ik mij druk om mijn sportieve prestaties. Zo probeer ik nu eindelijk de golfsport enigszins onder de knie te krijgen. Het stelt natuurlijk nog niet zo veel voor, maar aan het eind van de zomer wil ik eindelijk handicap 36 kunnen spelen. Zo niet, dan hang ik mijn stokken voor altijd aan de wilgen en ga ik voortaan wat nuttigs doen. Ook ben ik in training voor een fietstocht voor de ziekte ALS; begin september fiets ik op mijn racefiets mee voor dit goede doel: twee dagen achtereen 180 km, hopelijk in een goed wiel. Veel zitvlees kweken dus. Doe ik dan helemaal niets serieus? Jawel, elke zomer voer ik een reeks ‘zomerse gesprekken’ met bevriende relaties, waar ik niet alleen veel plezier aan beleef maar waarvan ik ook altijd weer wijzer wordt. Deze gesprekken staan dit jaar in het teken van ‘de organisatie na de crisis’. Ik schrijf er te zijner tijd vast een keer een blog over.

Zo werkt het menselijk brein kennelijk: het is een ratjetoe. Maar dat mag in de zomer.

Peter de Leeuwerk

Weg met de ‘prikkelgestuurde’ laag

Written by Peter de Leeuwerk. Posted in Blogs

Als econoom heb ik geleerd dat het menselijk gedrag wordt bepaald door het streven naar maximale  behoeftebevrediging. En dat dientengevolge zijn gedrag wordt gestuurd door de prikkels die hem dichter bij dit doel brengen. Deze basisgedachte ligt, meestal onuitgesproken, onder tal van politiek-bestuurlijke opvattingen, zeker op dit moment. Bonussen van bankiers moeten worden gemaximeerd om hen te prikkelen om minder risico’s te nemen. De hypotheekverstrekking wordt aan banden gelegd om huizenbezitters te prikkelen om zich niet te overeten aan hoge schulden. De WW-duur moet worden beperkt en uitkeringen moeten omlaag, omdat mensen dan sneller op zoek zouden gaan naar werk. De verstrekking van langdurige zorg gaat naar verzekeraars en gemeenten, omdat zij patiënten en hun verzorgers prikkelen een beroep te laten doen op zelfredzaamheid.

Ik constateer dat ik door deze schier eindeloze redeneringen steeds vaker geprikkeld raak. Zo ook op dit moment, de beraadslagingen in de Tweede Kamer over de langdurige zorg op enige afstand volgend. Onderdeel van het debat vormt de vraag waar ‘de knip’ moet te liggen tussen welke partij welke taak heeft in het verlenen van zorg. Twee zaken stuiten mij daarbij tegen de borst. In de eerste plaats het feit dat het vooral gaat om bekostiging – en de verdeling daarvan – en niet over de patiënt zelf. In de tweede plaats de onderliggende opvatting dat de partij die zorg verleent onvoldoende prikkels zou hebben om de kosten van de zorg binnen de perken te houden. Ik vraag mij dan tegelijkertijd af waarom ik geen enkele moeite heb met het inperken van bankiersbeloningen en salarissen van bestuurders van publieke organisaties; daar gaat het immers ook om prikkels en menselijk gedrag.

Waarom dan toch dit verschil in beleving? Welk mens besluit om bij een bank te gaan werken en welk mens besluit om de zorg of het onderwijs in te gaan? Een verschil schuilt in de vraag voor wie je het eigenlijk doet. Mogelijk wordt het als stigmatiserend beoordeeld, maar toch ben ik er van overtuigd dat een autoverkoper zijn klant niet snel zal adviseren een ov-kaart te nemen in plaats van een auto. Terwijl ik wel verwacht dat een wijkverpleegkundige er veel aan zal doen de patiënt te begeleiden naar een zo groot mogelijke onafhankelijkheid van professionele zorg. Waarom ik dat denk? Niet alleen omdat ik dat gewoon waarneem, maar vooral omdat de betrokkenheid van de zorgprofessional bij het welbevinden van zijn patiënt vele malen groter is dan van een autodealer bij zijn klant en dat van een leerkracht bij zijn leerling vele malen groter is dan van een bankier bij de vermogensontwikkeling van zijn cliënt. Daarom moeten we in de zorg en het onderwijs maar eens ophouden met denken in prikkels en er vooral voor zorgen dat deze professionals kunnen doen waarvoor zij hebben gekozen en wij hen hebben opgeleid.

Misschien verklaart deze analyse ook wel waar en waarom het in de zorg en het onderwijs mis gaat:  deze organisaties worden bestuurd door mensen met een afwijkend prikkelpatroon, waarbij niet de zorg voor de patiënt of leerling, maar zaken als carrière, status en inkomen centraal  komen te staan. Daarmee worden de professionals in een spagaat gebracht tussen patiëntbelang en vermeend organisatiebelang. Het is dus zaak het aantal bestuurders en managementlagen tot een minimum te beperken en te zorgen voor meer dan voldoende tegenwicht. En selecteer hen niet alleen op bestuurlijke kwaliteiten. Maar zorg ervoor dat zij hun territoriumdrift voorbij zijn en hun talenten volledig inzetten voor het belang van hen die aan hun zorg zijn toevertrouwd. Die talenten bestaan. Echt.

Peter de Leeuwerk

De belangrijkste succesfactor van de Participatiewet: ondernemerschap

Written by Peter de Leeuwerk. Posted in Blogs

Zowel in mijn rol als commissaris van de sociale werkvoorziening van een van onze grote steden als in mijn rol als adviseur van gemeenten heb ik de laatste tijd mogen nadenken over de wijze van invoering en inbedding van de Participatiewet. Even ter oriëntatie. Met de Participatiewet (PW) beoogt onze regering de deelname van mensen ‘met een afstand tot de arbeidsmarkt’ aan het arbeidsproces substantieel te verbeteren. Hoewel de wet nog niet ‘af’ is en waarschijnlijk nog aangepast moet worden op grond van het onlangs gesloten Sociaal Akkoord, is de essentie van de wet in wording tweeërlei: het onderscheid tussen de verschillende bestaande categorieën (WSW, Wajong, WWB) komt te vervallen, en de verantwoordelijkheid komt, ‘uiteraard’ met aanzienlijk minder budget, geheel en al bij de gemeenten te liggen.

Logisch dat alle gemeenten nadenken over de vraag hoe zij deze – zoveelste – decentralisatie het beste kunnen absorberen. Daarbij passeren, naast de vraag hoe de wet er nu eigenlijk echt gaat uitzien, tal van vragen de revue: ‘hoe willen we samenwerken met andere gemeenten in onze arbeidsmarktregio, welke rol krijgen het SW-bedrijf en de eigen Sociale Dienst, hoe krijgen en houden gemeentebestuur en gemeenteraad grip op de zaak, hoe dienen processen te worden ingericht, hoe moeten de budgetten worden verdeeld en gemanaged?’, en ga zo maar door. Zonder uitzondering belangrijke vragen. Maar wel allemaal vragen die betrekking hebben op beheersing, beheersing van budgetten, van risico’s, van zeggenschap en van verantwoording. Maar in mijn ogen is dat maar één helft van het verhaal. De andere helft schuilt in het vinden van het juiste antwoord op de vraag hoe de PW succesvol kan worden. En die vraag kan alleen beantwoord worden met een helder en ambitieus doel voor ogen.

Het doel is duidelijk: iedereen die kan werken werkt, en ontvangt daarvoor van zijn werkgever een beloning die overeenkomt met zijn prestatie. Maar de omstandigheden waaronder dit doel gerealiseerd moet worden zijn verre van florissant. De werkgelegenheid neemt af, ‘crisisverlamming’ in organisaties is niet de beste voedingsbodem voor experimenten, en budgetten (voor o.a. begeleiding en opleiding) krimpen. Het is dringen geblazen op de arbeidsmarkt: het leger van ‘gewone’ werklozen, starters op de arbeidsmarkt èn de grote groep mensen met uiteenlopende afstanden tot arbeidsmarkt. Het succes van de PW valt of staat in mijn ogen dan ook in de mate waarin de aanbieders van arbeid verricht door mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt hun aanbod onderscheidend kunnen maken van het concurrerende aanbod. Met alleen beheersen lukt dat niet; essentiële voorwaarde voor succes is goed ondernemerschap.

Over wat goed ondernemerschap inhoudt zijn bibliotheken vol geschreven: het begaan van nog onbetreden paden, alleen met de beste medewerkers willen werken, investeren in en sturen op  executiekracht, risico’s en onzekerheden accepteren, tijdig en grondig ingrijpen in processen en organisaties indien doelen niet worden gehaald, verantwoordelijkheid nemen. En dat in de wetenschap dat goed ondernemerschap een schaarse productiefactor is èn dat ondernemen nu eenmaal niet de natuurlijke habitat van gemeenten is. En toch… het kan niet anders. Ik zie de invoering van PW dan ook in de eerste plaats als een kans, een kans om met minder publieke middelen méér te bereiken. Dat vergt lef, natuurlijk van de managers die het moeten doen, maar eerst en vooral van gemeentebestuurders.

Peter de Leeuwerk

De postbode heeft een leaseauto

Written by Roeland Buijsse. Posted in Blogs

In mijn werk ben ik veel actief in MBO scholen. Als ik hier op zou schrijven dat een MBO in Nederland al zijn onderwijsgevend personeel zou ontslaan en het onderwijs volledig zou uitbesteden aan derden, dan zou u deze school waarschijnlijk voor gek verklaren. Als ik erbij zou vermelden dat al het overige personeel, het personeel dat niet voor de klas staat maar bijvoorbeeld administratie doet, marketing, HRM, management e.d., in dienst zou blijven dan zou u ongetwijfeld helemaal van verbazing van uw stoel vallen.

Gelukkig is het bovenstaande slechts een verzinsel van mij. Een school zou dit nooit doen. Het bedrijf PostNL doet dit echter wel.

PostNL, het voormalige TNT, en daarvoor TPG en daarvoor PTT heeft als kerntaak het bezorgen van brieven en pakketten. Een kerntaak waarbij sprake is van een rechtstreekse dienst voor een individuele klant, een particulier of een bedrijf. Nu zijn er natuurlijk verschillende schakels in het proces ‘post bezorgen’ die allemaal worden uitgevoerd door medewerkers van PostNL. Als we nu eens inventariseren in welke van deze schakels er sprake is van direct contact tussen PostNL en de klant, dan kom ik tot het volgende:

  • het bezorgen van een brief;
  • het bezorgen van een pakket;
  • het aannemen van een pakket of brief om te versturen naar een derde persoon.

In deze schakels is de laatste jaren nogal wat veranderd. Voorheen werd een brief bezorgd door een postbode, een pakket door een bezorger en werd uw post aangenomen in een postkantoor. Tegenwoordig zijn al deze drie taken uitbesteed.

Een brief wordt bezorgd door een postbezorger. Deze schakel is losgeknipt van de postsortering. De postbezorger is niet in dienst van PostNL. Uw pakket wordt bezorgd door bezorgbedrijven die nog al eens met eigen onderaannemers de pakketdistributie doen. Uw post wordt aangenomen door een filiaal van V&D, de AH of een andere winkel in uw gemeente die een ‘postpunt’ geopend hebben.

Ok, ik snap best dat ‘de postmarkt’ sterk veranderd is de afgelopen jaren. Ik begrijp dat het goedkoper moet, ik begrijp de lastige positie van PostNL (marktwerking en een overheidscontract). Ik begrijp het allemaal. Maar wat ik niet begrijp is dat dit PostNL ertoe gebracht heeft om een businessmodel te bedenken waarbij de meest cruciale processtappen, namelijk die waar sprake is van direct klantcontact, zijn uitbesteed. Met andere woorden: PostNL levert een dienst aan een klant…, maar geen enkele medewerker ziet of spreekt wel eens een klant.

PostNL is van een overheidsorganisatie een echt bedrijf geworden. Mij bekruipt echter het gevoel dat dit er vooral toe heeft geleid dat de medewerkers niet meer op de fiets zitten, met alle gespaarde elastiekjes aan het stuur, maar droog in een Duitse leaseauto.

Roeland Buijsse

Afstoten klanten staat haaks op plicht van banken om verspeeld krediet terug te winnen

Written by Peter de Leeuwerk. Posted in Blogs

Deutsche Bank lijkt niet te begrijpen dat verplicht afscheid niet in belang is van de eigen continuïteit

Deutsche Bank wil niet langer op mijn geld passen, zo vertelde mij de ceo van deze bank onlangs in een brief. ‘U wordt bedankt.’

Ik geef toe, het gaat niet om miljoenen, maar toch: het voelt niet helemaal lekker. Ik werd ooit ‘meeverkocht’ door ABN Amro. Ik moest een ongewenste splitsing tussen privé en zakelijk accepteren maar bleef loyaal aan ‘mijn’ mensen van de bank — die hadden destijds immers ook geen keuze — en probeerde, soms vloekend en tierend, het internetbankieren van de bank onder de knie te krijgen. En nu dit: ‘U wordt bedankt’. Waar eufemistisch aan wordt toegevoegd: ‘Wij zijn niet geschikt voor u’. ‘Had dat dan eerder gezegd’ is de kern van mijn gevoel hierover als ik in een milde bui ben.

Tot zover mijn emotie.

Nu mijn ratio. Professioneel heb ik doorgaans groot respect voor consequente executie van de gekozen strategie. Al te vaak vergeten ondernemingen echte keuzes te maken, met als gevolg een soort pappen en nathouden waarbij de onderneming op elk van haar marktsegmenten veroordeeld wordt tot het blijven spelen van de tweede viool.

Werkt dat slecht in goede tijden, in slechte tijden kan dat catastrofaal zijn. Je kunt echter ook te ver en te snel gaan; het gezegde ‘jede Konsequenz führt zum Teufel’ zou Deutsche Bank toch moeten aanspreken.

Want waarom heeft Deutsche Bank destijds eigenlijk onderdelen van ABN Amro overgenomen? Ze kon toch weten dat elke Nederlandse bank, en dus ook ABN Amro, verankerd is in het midden- en kleinbedrijf. En waarom is het mkb-deel niet als geheel van de hand gedaan, bijvoorbeeld terugverkocht aan ABN Amro? De reden dat de destijds verplichte verkoop van delen van de bank noodzakelijk werd gevonden — machtsvorming als gevolg van de fusie met Fortis Bank Nederland — is immers toch allang komen te vervallen.

Handelt Deutsche Bank met het afstoten van 18.000 klanten (2.000 particulieren en 16.000 kleinzakelijke klanten) überhaupt wel in het welbegrepen eigenbelang? Begrijpt Deutsche Bank wel dat achter al die 16.000 mkb’ers zakelijke netwerken schuil gaan? Beseft ze wel voldoende dat je met het aan de dijk zetten van loyale klanten geen vrienden maakt? En, misschien nog veel belangrijker, snapt Deutsche dan echt niet dat het bankwezen inmiddels zwaar in het krijt staat bij de samenleving? En dat elke bank, ook een buitenlandse, de opdracht heeft het verspeelde krediet terug te winnen door het geven van krediet, of het nu feitelijk of moreel is, in het belang van de eigen continuïteit op lange termijn? En dat dit in schril contrast staat met het afscheid nemen van klanten, in mijn geval nog een risicoloze ook? Welk beeld roept de bank van haar eigen organisatie op, een organisatie die in Nederland toch vooral uit ex-ABN Amro-ers bestaat, als zij ‘deemoedig’ beweert dat ik met een andere bank beter af ben?

Ook vanuit het perspectief van de ratio begrijp ik het niet. Ik ga wel weg hoor. En ik neem mijn geld mee naar een andere bank. Veel rendement verwacht ik momenteel nergens, maar ik wil wel een bank die zich bekommert om zijn maatschappelijke verantwoordelijkheid. Zijn die er nog, vraag ik mij voorzichtig af.

Peter de Leeuwerk

De ondergang van e-mail: oorzaak of gevolg van collectieve onthechting?

Written by Peter de Leeuwerk. Posted in Blogs

Deze zwaarmoedige titel is natuurlijk een tikkeltje te veel voor de opening van een eenvoudige blog. Maar ja, je moet iets doen om een beetje aandacht te trekken. Daarover spraken wij, de voorzitter van mijn Rotary Club en ik, toen wij zelfs in onze eigen club tekenen van apathie meenden te bespeuren. Want, zo constateerden wij, het is kennelijk niet (meer) vanzelfsprekend om mail van clubleden te beantwoorden. Positief ingesteld als wij zijn, zeker waar het de betrokkenheid van onze clubgenoten bij het ‘clubgebeuren’ betreft, kregen voor de hand liggende argumenten als ‘het interesseert ze niet, ze voelen zich niet aangesproken, ze kijken vooral naar hun eigen plezier en belang’ geen vat op ons.

Maar ja, wat is het dan wel? Want onomstotelijk feit is dat het medium e-mail, toch vooral bedoeld om meer dan één persoon tegelijk op een praktische manier een praktische vraag te stellen, zijn doel steeds vaker voorbij schiet. Als je iemand vis à vis aanspreekt of opbelt, dan krijg je normaal gesproken ten minste enig geluid terug. Maar bij eenzelfde vraag per e-mail  blijft het vaak oorverdovend stil. Zou iemand zijn hoofd omdraaien en weglopen of zonder een woord te zeggen de haak erop gooien, dan zou dit over het algemeen toch op zijn minst als onbehoorlijk worden ervaren. Gelden bij het omgaan met e-mail dan andere fatsoensnormen? Zijn er eigenlijk wel fatsoensnormen voor elektronisch berichtenverkeer? Zo zag ik ooit een heel oud tv-spotje uit de tijd dat de telefoon voor het grote publiek beschikbaar kwam. Daarin werd het volk geïnstrueerd hoe men de telefoon geacht werd op te nemen en welke beleefdheidsvormen daarbij in acht dienden te worden genomen. Daarom zeggen wij nog steeds netjes ‘goedemiddag, u spreekt met Peter de Leeuwerk’ en brult men in de VS gewoon ‘hello’. Maar ja, het past niet bij deze tijd om mensen gedrag voor te schrijven. En daar lijkt het e-mailverkeer een van de slachtoffers van.

‘Ik stuur wel even een mailtje’ is misschien het meest uitgesproken zinnetje in het hedendaagse intermenselijke contact. Het vermoeden van gemakzucht (‘gooi de boel maar over de schutting’) nodigt niet uit om direct en enthousiast te reageren: ‘had hij niet even kunnen bellen, dan had ik meteen wat toelichting kunnen vragen; had hij zijn vraag niet wat duidelijker kunnen toelichten; of: waarom maakt hij mij niet wat enthousiaster?’  Het gevoel van de onbalans tussen het gemak waarmee de vraag wordt gesteld en de ervaren zwaarte van het antwoord is mogelijk ook een factor bij het laten bungelen van e-mail. Dat zou vooral de verzender zich  moeten realiseren. Een – wat makkelijk, maar toch – excuus voor de ontvanger schuilt in problemen bij de praktische follow up van een mail: ‘nu moet ik eerst mijn agenda raadplegen (en soms ook die van een ander) en daar heb ik nu de gelegenheid niet voor. Ik doe het later wel’. En voor je het weet raakt de mail, in het vaak hevige mailgeweld, letterlijk en figuurlijk van het scherm. Sorry, vergeten, ondanks mijn goede intentie.

Het zijn niet meer dan een paar bespiegelingen. Ik weet het antwoord ook niet, zelfs niet eens waarom mijn eigen gedrag is wat het is (wàt het is, laat ik hier even in het midden). Maar we kunnen er natuurlijk wel wat aan doen. Juist door gebrek aan algemene normen is het logisch dat een organisatie – een bedrijf, een vereniging – een gedragscode overeenkomt, die eisen stelt aan de ontvanger  èn de verzender. En wat ik zelf ga doen? Vaker de telefoon grijpen. Want is het niet opgevallen, bedacht ik mij onlangs, dat de gesproken gedachtewisseling – dat nu eenmaal veel meer zeggingskracht heeft dan een mailtje – steeds meer wordt weggedrukt door mailtjes, whatsapp’jes, sms’jes? Dat is een verarming van het intermenselijk verkeer en leidt op zichzelf al tot onthechting van de groepen waartoe bij menen te behoren. Ook zware woorden natuurlijk, maar ik ervaar het wel zo.

Genoeg voor dit moment. Ik hoop dat deze blog wat reacties losmaakt. Ik ben er niet helemaal zeker van, want reageren op een blog verloopt digitaal ;-).

Peter de Leeuwerk

Endorsed…

Written by Roeland Buijsse. Posted in Blogs

Ik ben ‘endorsed’… op Linkedin. Geen idee wat het inhoudt, dus dat heb ik opgezocht. Het is een niet echt goed in het Nederlands te vertalen woord, maar het komt neer op een soort duim omhoog voor een bepaalde activiteit of vaardigheid. Waar ik voor ‘endorsed’ ben, ben ik al weer vergeten maar het is tamelijk hip om te ‘endorsen’ want om de haverklap zijn er updates met ‘duim omhoog’. Wat me opvalt is dat het nogal bijzondere activiteiten of vaardigheden zijn waar mensen voor ‘endorsed’ worden. Kijk, ‘endorsed’ voor strategieontwikkeling of teaching, daar kan ik me wel wat bij voorstellen. Sommige van mijn contacten worden echter ‘endorsed’ voor ‘government’. Government?? Ik ben zeer benieuwd wat je gedaan moet hebben om daarvoor endorsed te worden. Het is geen activiteit. Het is niet eens een werkwoord. Ook worden mensen endorsed voor ‘Dutch’. Dit lijkt me alleen een aanbeveling als je net een inburgeringstraject hebt gevolgd, anders lijkt me dat niet echt een prestatie.

Maar goed, al langer bestaat de mogelijkheid om in Linkedin iemand aan te bevelen via recommendations. Is me ook een keer overkomen voor een opdracht en dat vond ik erg aardig van de klant. Hier geldt alleen dat er nogal sprake is van inflatie. Sommige van mijn contacten zijn al meer dan 15 keer aanbevolen. Knap zeg! Om geen minderwaardigheidscomplex te krijgen ben ik er iets verder ingedoken en zo kwam ik er achter dat zij de mensen die hen aanbevolen hebben, zelf ook aanbevolen hebben. Ja, zo kan ik het ook.

Misschien ben ik hier iets te nuchter voor. In Amerika zal dit allemaal doodnormaal zijn. Laat het zien als je excelleert, geef daar aandacht aan in plaats van doe maar normaal dan doe je al gek genoeg. Zelf ben ik er achter gekomen toen ik voor mijn voormalige werkgever Accenture hoofddocent was op het opleidingsinstituut in Chicago. Als onderwijsteam kregen we de mogelijkheid om twee studenten een topwaardering te geven. Dit hebben we gedaan en ik heb deze waardering aan hun leidinggevenden in hun thuisbasis doorgegeven. Ook heb ik hen zelf geïnformeerd dat ze tot de besten van de klas behoorden. In de klas zelf heb ik gemeld dat twee van de studenten een topwaardering hebben gekregen, maar hier heb ik het verder bij gelaten. Na afloop kwamen mijn Amerikaanse co-docenten naar mij toe met de opmerking dat ik dat anders had moeten doen. Ik had de twee toppers ten overstaan van de hele klas in het zonnetje moeten zetten. Dat is onderdeel van hun succes.

Dit is altijd een beetje blijven knagen want ik denk dat ze gelijk hebben. Zelf had ik het niet nodig gevonden, maar in een andere cultuur kijk je daar heel anders tegenaan.

Ik ga nu iemand endorsen!

Roeland Buijsse

Wassenaar en is ze dat weer?

Written by Peter de Leeuwerk. Posted in Blogs

In het kader van de onderhandelingen tussen werkgevers, werknemers en de regering over het bereiken van een zogeheten ‘Oranjeakkoord’ wordt steevast verwezen naar het Akkoord van Wassenaar in 1982. Logisch, want ook toen was het slecht gesteld met de arbeidsmarkt, zoals ik mij als beginnend econoom en verse toetreder tot de arbeidsmarkt goed herinner. Maar wat mij het meest trof was de uitspraak – ik weet niet eens meer in welke krant – dat in 1982 werkloos zijn als een gemeenschappelijk probleem werd ervaren. En niet, zoals in deze tijden, als een individueel probleem, in de sfeer van ‘pech gehad’ of ‘gevolg van eigen keuze’. En die vergelijking heeft mij sindsdien niet meer losgelaten.

Zoals ook in 1982 komt werkloosheid steeds dichterbij. Niet alleen komen veel jongeren moeilijk aan goed werk (zo staan momenteel mijn eigen kinderen op de drempel van de arbeidsmarkt), maar ook steeds meer gewoon goed functionerende mensen komen verbouwereerd aan de kant te staan. Tegen deze achtergrond probeer ik de typische economenredenering tot mij te laten doordringen dat mensen die werkloos geworden zijn ‘een prikkel’ nodig hebben om weer aan te werk te gaan. En dat om die reden de duur van de WW (ernstig) moet worden bekort. En dan probeer ik mij de mensen in mijn omgeving voor ogen te nemen die zonder werk zijn geraakt en probeer mij een beeld te vormen van welke prikkel dat dan zou moeten zijn. Maar dan blijft het doodstil in mijn hoofd, iedere keer weer. Onze regering heeft meedoen, participeren, jezelf redden en werken uitgeroepen tot het ultieme doel en onderstreept dat in alles wat zij zegt, doet en laat. Is er dan zo weinig vertrouwen in de eigen burgers dat ze moeten worden bestraft als het even niet lukt? Ik heb er geen wetenschappelijk onderzoek naar gedaan, maar toch ben ik ervan overtuigd dat (bijna) niemand zich neerlegt bij onvrijwillige buitensluiting van het belangrijkste maatschappelijk proces dat we in ons land kennen: betaald werk doen en daardoor voor jezelf en je gezin kunnen zorgen. De tegenwerping ligt natuurlijk voor de hand: “dat geldt natuurlijk alleen voor hoger opgeleiden voor wie werk synoniem staat met zelfontplooiing, status en aanzien, en dat is maar een kleine minderheid”. In mijn ‘vrije tijd’ ben ik commissaris bij een Sociale Werkvoorziening. In deze organisatie wordt dagelijks het ultieme bewijs geleverd van het belang van werk, van een eigen inkomen, van structuur in het dagelijks leven, van gewoon mee kunnen doen. Werk is voor iederéén van groot belang. Het is vast niet zonder reden dat het accent van de nieuwe Participatiewet op het (weer) mee gaan doen ligt. Door de participatieladder trede voor trede te beklimmen (her)ontdekken mensen dat je er heel veel voor terug krijgt. Ik durf zelfs de stelling aan dat een desastreus perspectief op veel mensen eerder een verlammend dan stimulerend effect heeft. Wat heb je aan WW-verlaging als het wel leidt tot nog minder consumentenvertrouwen, nog meer verplichte huizenverkoop en nog meer ongelukkige gezinnen en als het niet leidt tot sneller aan het werk gaan?

Werkloos zijn is verschrikkelijk voor de betrokkene en zijn omgeving. Maar laten we 30 jaar na dato van ‘Wassenaar’ opsteken dat (massa)werkloosheid toch in de eerste plaats een collectief probleem is. Het uittrekken van een van bedrag van 6 miljard euro om de Europese jeugdwerkloosheid te bestrijden (overeenkomend met € 100 per werkloze per jaar) zoals de EU onlangs heeft besloten, is helaas nog niet eens het begin van een oplossing.

Peter de Leeuwerk